is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mochte ik, o God ! van 't schijngoed steeds ontdaan, ln U alleen zoo ook geworteld staan !

Dan zal ik blij mijn have in liefdedaan Voor U verbeuren.

Hij mint den Heer: en 't leven smaakt nog zoet, Als de onspoed hem met slechte dagen groet, En hem de ziel met bittren alsem voedt Van smert en plagen.

De ziekte drukt op hem verbrijslend zwaar :

En haar gewicht, o 1 hij waardeert het maar Als dat van vleuglen die den adelaar Ten hemel dragen.

Wat smaad en hoon het onrecht op hem braakt, Hoe schandig ook de Nijd zijn leven wraakt, Het godlijk vuur, dat hem in 't herte blaakt,

Kan 't al verteren.

De wreede Nood, die schriklijk om hem waart, Hem wegbant op de schraalste hei der aard, Mag hem, zoo lang zijn blik op 't kruisbeeld staart, De ziel niet deren.

Zoo onverhinderd vaart de heldre maan,

Hoe zwart de nacht voor haar ook moge staan, Hoe 't donderzwerk ook raze, door 't orkaan Op een geschoven.

Hij sterft! En niemand die zijn' naam onthield, Of biddend soms op zijne grafsteê knielt;

Maar hij, bij God met eeuwge vreugd bezield,

Praalt toch hierboven!