is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Helaas ! zucht de moeder, gebroken van smerte, Geschokt van den weedom in 't lijdende herte; Ach ! zucht zij en slaat eenen blik op haar kroost : Zij sterven verlaten, mijn eenigste troost,

Die kindertjes mijn, zoo onnoozel, zoo brave!

Ach of hun toch iemand wat onderstand gave ! Wij hebben noch voedsel, noch dekking, noch hout, En 't sneeuwt zoo, en 't vriest zoo, en 't is toch zoo koud 1 Ach ! 'k voel het; 'k ga sterven ! mijn krachten begeven ; Maar mochten mijn kindertjes toch blijven leven! — Zoo snikt zij en zwijgt en 't zwijgt al in het huis :

De wind fluit alleen met een klagend gesuis,

Gesuis dat de kindren der weelde beminnen,

Maar huiveren doet in dat huisje daar binnen.

Zoo duurt het een poos. — En met angstigen schrik Werpt zuchtend de vader een treurigen blik Op moeder en kroost. En hij poogt om te spreken :

Ach wist het, zoo zegt hij, ach wist het de deken 1 — 't Is al wat hij kan, en zijn hoofd zinkt ter neêr, En t stormt al feller en 't hagelt al meer 1 Nogtans met den naam van den deken te hooren, Gevoelde de moeder haar krachten herboren :

O, sprak ze, en de moed kwam haar weêr in het hert: Och wist hij ons armoede en rampen en smert 1 Och wist het de deken, die vader der weezen Die de armen vertroost en hun wee kan genezen! t Is hemelsche balsem een woord uit zijn mond ! —

Hier schijnt ze te denken, en zwijgt eenen stond : — O 'k weet nog, herneemt zij, hoe schoon hij het zeide, En ons op den kruisweg van Jesus geleidde: