is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eene plat met sleepe boordjes, Andere uitgehold en diep :

Schaalkens, kommetjes, teljoortjes, Die maar God alleene schiep.

Broeder, gij schijnt diep te peizen... Zoudt gij weigeren misschien Van met mij naar 't strand te reizen ?... 'k Heb nog nooit de zee gezien, 'k Draag mijn biezen korfken mede, En wij peistren op het strand;

En ik loope langs de reede Over 't wit gespoelde zand;

En ik zoeke bij de baren De allerschoonste schelpjes uit,

Die ik eeuwig blijf bewaren En hier in mijn korfken sluit.

Broeder, met uw somber peizen,

Luister eens wat ik u vraag :

Laat ons samen zeewaarts reizen ! 't Weder is zoo zoet vandaag.

'k Rijg dan aan een snoer van wulle Schelpjes die gij uitverkiest, Opgenaaide met een' frulle,

Blinkend effen of gebiesd.

En dat kransken zal ik hangen Om uw' hals, op uwe borst.

Broeder, kom: laat u niet prangen ; 'k Heb oranjen voor den dorst.