is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

" Och wees toch voorzichtig! Vlied 't kwaad tot de dood;

" Blijf steeds voor uw zielreinheid zorgen !

" Gelijk aan de bloem die in 't duinzand ontsproot,

" En, door eenen heuvel verborgen " Voor 't branden der zon die de velden verdroogt, " Des avonds de zuivere peerlen nog toogt " Er over gedauwd in den morgen ! „

En dikwijls nadien keerde ik weêr naar dat oord,

En stond daar die leer te overwegen,

Gelijk eene ziel die een hemelval hoort,

Getroost en verrukt en verslegen !

Hoe verder ik 't spoor van het leven betrad,

Hoe meer ik den zin van die woorden bevatt', En 't strand van de zee was genegen.

Eens roemde mij iemand de liefelijkheên,

De weelde der zuidersche streken ;

Daar zoude ik gaan huizen ! Daar moest ik naar heen,

Ver af van de duinen geweken ! —

Maar 'k voelde te sterk me aan de zeekust geboeid. De bloem, die zoo geern in de duinen hier bloeit, Gedijdt niet om ze elders te kweeken.

Hij zeide : " De bosschen zoo luw en zoo groen " Zijn 't land van het Zuiden beschoren ! „ — Hun lommer, hoe frisch ook in 't zomerseizoen,

Zal nooit mijne zinnen bekoren.

'k Verkieze den spichtigen helm (1) van den duin,

(1) Arundo arenaria.