is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar gij, van herte gul'en rond,

Bij volk en ambtgenooten U achttien jaren hebt gejond

En nooit een dag verdroten ; —

En ik — van duin, van zand en zee,

(Nu ook met welbehagen),

Als Noom mij toepte zijnent deê In mijn vacansedagen.

O wat al vreugde ik toen genoot!

Welk zalig lot was 't mijne!

Maar sinds vijf jaren is hij dood;

Zijn huis is een ruïne. (1)

Aan 't venster geen gordijnen meer ;

Geen kaven meer die rooken ;

Het plaaster van den muur viel neêr;

De ruiten zijn gebroken.

De musschen wonen noord en west

In de euzing van de daken,

Terwijl de zwalmen hunnen nest In gang en kamers maken.

Het achterplein — een lustprieel In tijden ach ! die waren —

(1) Dit oud huis, sedert de dood van mijnen Oom onbewoond, werd afgebroken, de volgende week na dit mijn bezoek, en is thans door een nieuw gebouw vervangen.