is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zes jaren is het nu geleên.

Niets kan mij zoeter wellust schenken Dan hier te knielen op den steen, En het verleden na te denken.

Laat 't bloempje dat de zerken zoomt, Met traantjes van den dauw zich laven ; De twijgen van het treurgeboomt Hier kwijnend hangen op de graven ; En 't suizen van den avondwind Verzuchten door de blaren henen : Hij, die zijn zustertje bemint,

Hij wil hier mijmren, en niet weenen.

Hoe wondren indruk voel ik toch! Zou hier dat Engeltje om mij zweven ? Mij dunkt, ik zie — ik zie het nog ln 't broze stofgewaad van 't leven ! Dien aanblik helder, vol van vuur, En toch zoo zedig en zachtmoedig; En al die gaven der natuur Die God haar schonk zoo overvloedig. De koornbloem ontlook in 't veld : Het Engeltje is van hier verdwenen, Maar vijftien jaren nog volteld...

Ik wil hier mijmren, en niet weenen.

Niet weenen, neen ! En toch er schiet Mij een bedrukte traan in de oogen... Maar 't is voor mijne zuster niet;

Zij is den hemel ingetogen.