is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar 't leven is er uit gevlogen :

Helaas! zij zijn nu uitgedoofd !...

Och 't deert mij zoo ! Het was zoo vlugge 1 Van onder altijd wit als krijt;

Des zomers rost op zijnen rugge, En hoogbruin in den wintertijd !

Zijn pluimsteertje o! hoe nader t topje, Hoe langer ook het haartjes had;

En 't rees tot boven over 't kopje,

Daar 't beestjen op zijn huksken zat.

Maar als het klavrend langs de twijgen,

Zijn sprongen en zijn kunsten deê :

Toen moest het steertje nederzijgen,

Toen — hangend — vloog het steertje meê.

Hoe menig uurtje bracht ik over,

Het oog verbaasd op hem gevest!

't Hong zwierend nu aan tak en loover Met de achterpootjes vastgeklest;

Dan klom 't de boompjes op en neder, En hupte, wipte, draaide en wrong En daalde nu en steeg dan weder,

En boog de takjes waar het sprong.

Geen wonder ook ! Het was beslegen Met scherpe klauwkens aan de tee'n ; En om zoo knap zich te bewegen,

't Had taaie spiertjes in de leên.