is toegevoegd aan je favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan moet hij wild gaan vangen, eenen daas,

Een rupse, een kobbe, een vliege,

Een hinkerbinkernaalde, en al zulk aas Voor bloedjes in de wiege,

In Rijshout Trijshout, stokken lijk mijn beenen.

Maar gaat de zomer met de zwalmen deur,

Dan krijgt hij weder moede ;

En vroeg en late neurt hij zijn geneur En lult inwendig zoete

Van Rijshout Trijshout, stokken lijk mijn beenen.

Het vriest en 't sneeuwt zoo! 'k hoore wiep en wee En floddren aan de ruiten.

Een kruimel brood voor Povertje-op-de-snee!

't En vindt geen aas meer buiten !

Ach! Rijshout Trijshout, stokken lijk mijn beenen.

Zijn blinkende oogen — of het ronde en groote zijn,

Zijn snelle blinkende oogen !

Maar zijne beentjes toch, hoe raaide en fijn Dat zij hem dragen mogen

Op Rijshout Trijshout, stokken lijk mijn beenen.

Zijn pluimen broeksken, lichtjes wit gekleurd,

Hangt schaarsch tot aan zijn hamen ;

Maar — laat het Robaards beentjes bloot — het scheurt Te min ook aan de bramen,

Aan Rijshout Trijshout, stokken lijk mijn beenen.