is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer hij eens met zijne kruik Ter bronne water haalde.

Daar had hij nauwelijks de kan Met water volgegoten,

Of ziet I zij helt en tuimelt om,

De toot in 't zand geschoten.

Hij neemt de kruik en vult ze op nieuw En zet die bij zich neder;

Maar glarioogt en knerseltandt:

De kruike lag er weder!

Hij vult ze toch een derde maal En stelt die vast ten gronde :

" Ik wil eens zien, zegt hij met spijt, " Of 't kruikske nu nog konde...

Terwijl hij spreekt, het kruikske keert Of laag't in tooverbanden.

Brandanus schiet in vlam en vier En grijpt het in zijn handen,

En heft 't omhoog en ploft het neêr En slaat 't in twintig scherven;

En stampt er op, en mort gestoord : " Ik kan dien pot wel derven. „

Wel derven ja, maar toch hij leert, In gruizelment geslagen,

Hoe dat Brandaan, spijts de eenzaamheid, Nog vol is van zijn vlagen.