is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven; integendeel bij de pestels of vruchtbladjes, carpelles, feuilles carpellaires, is het al lepel.

De steel van de stamiene of 't bloeiebladje heet de draad, le filet, en het lepeltje van boven noemt men bloeie, l'anthère. De bloeie is in twee helften gedeeld door een middenribbetje dat het verband heet, le connectif. Die twee helften zijn twee kluizen, loges. Elke kluize is uit twee luiken gevormd wier samenvoegsel afgeteekend is door eenen enkelen naad, suture. Deze kluizen zitten vol poeder dat, als het rijp is, door de openscheurende naden van de bloeie uitstuift. Dit poeder heet men meel of de bloeistubbe, pollen, en dient om de eitjes van den pestel te bevruchten. Ieder poederling van deze stubbe, als het zijnen rijpdom heeft, is doorgaans omkleed met twee vliezen, een buitenvlies, en een binnenvlies waar het buitenvlies meê gevoerd is. Dit binnenvlies bevat de kracht, fovilla, dat is, een dik vocht met menigvuldige korreltjes. Deze kracht is de essentie van de bloeistubbe. Het buitenvlies van de stubbe is zoo rekbaar niet als het binnenvlies ; en daarom, als de stubbe vochtig wordt en zwelt, berst het buitenvlies open, en het binnenvlies kruipt er uit onder de gedaante van een kleen lang blazeken dat den name draagt van krachtkokerken, tube pollinique.

In 't herte van de bloem, te midden van de stamienen, staat het wijvelijk orgaan, dat een of meer pestels of vruchtbladjes telt. In een vruchtbladje onderscheidt men drie deelen: het onderdeel of de lepel, die het eierhuis heet, l'ovaire, omdat het de kleene bollekens bevat, eitjes genaamd, ovules, die later het zaad moeten worden; dan de top van den lepel, die pijpachtig opgaat en meer of min