is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wilde Roozelaar.

I. Zijne namen.

De wilde roozelaar, die in de hagen groeit en waar men in de hoven temme roozen op ent, draagt vele namen.

1° In de boeken heet hij Hondsroos en Egelentier.

Hondsroos, Rosa canina L. in de wetenschap, cynorrhodon in 't fr., omdat men in den ouden tijd er de wortelen van gebruikte tegen de hondewoede of razernij.

Egelentier, fr. églantier, dat is, zegt Weiland, een boom (oulings tier, tere, eng. tree) vol stekels als die van eenen egel of stekelverken, fr. hérisson, porc-épic.

2° In Vlaanderen noemen wij hem overal niet gelijk. In sommige gewesten is het de Eukelbraam of Heukelbraam, zijnde het eerste deel eukel, heukel, hetzelfste misschien als egel, fr. hérisson, of hekel, werktuig met ijzeren doornen om vlas te kammen, fr. séran.

In andere streken is het de Hepelbraam, Hippebraam, Hipperbraam, Heupebraam en Hupperbraam, in 't eng. hep-tree, dat is, eene braam die hepels, hippen of huppen draagt, zijnde een hepel, hip of hup, eng. hep en hip, bij Halma hiepel, de naam van de roode langachtige vrucht des egelentiers, bij Weiland joop en bottel, geheeten, bij ons ook klokke, fr. gratte-cul. Vergelijk Hiepedoorn, eng. hazu-thorn, in de boeken Hagedoorn, (fr. aubépine), dat is een doorn die hiepen draagt, zijnde de hiepe of gijbe, eng. hazu, de naam van de roode ronde bezie van den hagedoorn, fr. baie d'aubépine.