is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij leggen, ze zullen misschien daarmee leeren dat ik geen tooveraar en ben. Verneuken zij mij, ik verneuke den duivel. Is het niet zoo ? — En ik op gang. Ik kome verschillige jongheden tegen op de baan, en nogtans geene beleediging : kwaad teeken! Ik ga voorbij de school, en bemerke dat men rinkevijlt op mij : goed zoo! ik ben er aan! Ik was t al zeker van mijne zieke niet te vinden, en 'k verneem inderdaad dat zij op den akker is. Ik ga tot in de kerk om de heilige Maagd te bidden mij hare hulpe te verleenen. Ik wierd ze seffens gewaar. Een klein meisje (arm engelken Gods!) komt daar rond mij gedrenteld, nadert toe, zegt mij al zoetjes van al de wijngaards weder te keeren, en vlindert dan henen. Zie-je wel ? zelfs in dat boos geweste is er nog goedhertigheid. Maar al denkende op die aanbiddelijke Voorzienigheid, die zich overal zielen uitkiest om er haar minzaam rijk te vestigen, vergeet ik de waarschuwing, doe mijnen brevier open, en sla zonder peizen de gewone straat in. De jongens van de school waren mij den weg loopen afleggen : mijne onbedachtzaamheid verdiende 't een beetje. Zij zijn van alle kanten op mij uitgesprongen, schreeuwende om dood, met honden en met steenen. Of het geen leute en was! Gelukkiglijk had de heilige Maagd, die mij alleenlijk een lesken van memorie wilde geven, u op schildwacht gesteld om ze te beletten van te verre te gaan. Een luttelken vreeze, en een schribbel in mijn aanzicht, 't is mager de blijdschap betalen van eenen goeden christen in deze ongeloovige streek aan te treffen. „

" 'k Bewonder u, eerweerde heer, 'k en zou ik dat niet kunnen ; en 'k ben nog altijd spijtig dat ik niet eenen van