is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weest. Men miek mij verdacht bij de politie; men gaf mij uit voor eenen woeligen priester; men deed klachten bij den bisschop; de procureur des konings liet mij onfatsoenlijk vermanen dat de wetten van den staat te respecteeren waren.

Wat wil ik u zeggen ? Dat duurde drie jaren. O God toch, welke jaren ! Nedergeknield in mijne verlatene kerk, smeekte ik God dat hij hem zou laten bewegen. God scheen niet min ongevoelig aan mijn tranen als de steenen waarop zij bokten. Hij aanhoorde mij nogtans, hij verrichtte zijn werk in de herten; maar 'k en zag er niets van.

Op dit tijdstip kwam mij een groot ongeluk over: mijne eenige zuster die stierf. Zij liet twee weezekinderen achter: Laurens, uw vriend, en eene dochter van zeventien jaar, die Edmonda hiet en van wie ik peter was. Het braaf meisje hadde geern in een klooster gegaan en zich aan God toegewijd, maar om hare kranke gezondheid moest zij het nog verschuiven. Zij en had geenen steun meer op aarde. Zij kwam hier bij mij wonen, of beter gezeid, kwam zij hier sterven.

In het eerste, scheen hare tegenwoordigheid de wilde gemoederen te bedaren. Zij was zoetaardig, minzaam, bezettig en gedienstig, een engel van goedheid; zij had duizend kleene begaafdheden, en wist hulpmiddeltjes voor alles: zoo won zij de vriendschap van eenige jonge dochters, en welhaast mocht ik hopen dat er door haar een straalken van de gratie over mijne rampzalige parochie zou nederdalen. En zoo was het, inderdaad; maar hoe dier betaalden 't wij, God toch !

De pastor zweeg, bijkans zoo bewogen als hij over