is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zingen, onder dat pardasch dat zij doen maken had voor de arme lieden onder te schuilen. Zonder verpoozen verstoorde de punt van dien helschen moordpriem hare gebeden en hare nachtrust. Zij zagen ze doodgaan, en zij en hielden niet op ! Zoudt gij gelooven, eens dat zij alleen in de kerk zat en knielde, dat er een manspersoon, dien zij herkend maar niet genaamd en heeft, bachten haar kwam staan, en, zonder eerbied voor de heilige plaats, zonder medelijden met hare krankheid, die ontuchtige en heilig, schendige verzen zong, tot dat zij eindelijk van haar zeiven viel. Ah! wat moet men veel voor den dichter bidden die dit schelmstuk geschreven heeft! Want hij weet voorzeker niet welk een wreed wapen hij aan deze onbeschofte vijanden van den godsdienst, die onze dorpen verpesten, in de handen heeft gesteld. Ben ik de eenigste pastor wiens zending hij verhinderd heeft? Is mijne arme Edmonda het eenigste slachtoffer van zijne ellendige schimpschriften geweest, die verderfelijker zijn als de beet van serpenten ?

Wanneer ik aan Edmonda zeide dat hare gezondheid mij verplichtte van haar uit de streke te verwijderen, antwoordde zij mij : " Lieve peter, ik weet wel van waar dat gedacht u komt. Gij moet verstaan dat ik de wonde, die mij hier lijden doet, overal meê zal dragen. Dwing mij niet te sterven verre van u, en overpeis ook dat ik, met weg te gaan, nieuwe stoffe aan de lastertaal zou geven. Mijne reputatie eischt dat ik niet en vluchte, al moest ik in de vlucht mijne genezing vinden ; want men zoekt de eer van God zelve te krenken, met de mijne aan te randen. Laat ons edelmoedig ons kruis dragen ; 't is nu de laatste