is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drie jaar tormenten, mijne parochianen rood van schaamte maken voor hunne ondankbaarheid, hunne wreedheid, hunne onbeschofte ondeugendheden, hun alles verwijten wat zij mij misdaan hadden, hen verpletteren met de dood van Edmonda, met de moord van Laurens, met mijn eigen leven dat zij voor altijd vergiftigd hadden; en, na hun aldus gesproken te hebben, de parochie verlaten om er nooit geenen voet meer te zetten. De verontweerdiging, de verachting, de bittere woorden, de spijtige berispingen, woelden in mijn gemoed gelijk de kokende lava in eenen vierberg die gaat spuwen.

Ik ging op den preêkstoel. Er was veel volk: ik bemerkte het zelfste goed gevoel van medelijden en bijkans van leedwezen, dat zij in den lijkdienst van Edmonda getoond hadden. Dat trof mij, eer ik nog begonnen had te spreken. Ik herinnerde mij mijne arme nicht; ik wierd haar laatste woord indachtig : Doet hun goed! Ik vroeg aan mijn zeiven hoe ik het zou kunnen in mijn herte vinden van die twee graven te loochenen, die zoo zuivere en zoo heilige graven. Ook God liet zich hooren in 't binnenste mijner ziel. Dat vers van den profeet, dat ik dien uchtend zelve gelezen had zonder er op te schaffen, kwam mij in den zin : In Domino confido; quomodo dicitis animce mece: Transmigra in montem sicut passer ? (1). O mijne ziel, waarom raadt gij mij te vluchten ? Hebt gij geen betrouwen meer in den hemel ?

Met mij alzoo te overpeizen, veranderde mijn voornemen ; schielijk verlicht, bracht mijn hert mij geheel

(1) Dat is : Ik betrouw in den Heer, hoe zegt gij aan mijn ziel: Verhuis naar den berg gelijk eene musch ?