is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dergelijke woorden, en 't zijn er vele, in de schrijftaal niet willen aanveerden omdat zij tot eene gewestelijke spraak behooren, dat ware ten minste zoo verkeerd en onredelijk alsof een groote landbouwer, die zeker alaam hoogst noodig zou hebben, het zich niet aanschaffen wilde, om reden dat er iemand van zijne naaste geburen gebruik van maakt.

En dit zijn, Mijn Heeren, de titels die, volgens mij, aan dialectische woorden en wendingen volle recht — en hoe meer titels bijeen, hoe voller recht — geven om in de algemeene Nederduitsche schrijftaal aanveerd te worden. Men mochte er nog eenen zesden bijvoegen, t. w. als een woord of eene wending overal in verschillige provinciën gangbaar is, b. v. hesp (ham), sprok (broos), stoof (kachel), eenen stervenden mensch uitlichten, enz. die geheel het Zuiden door in zwang zijn. Maar — behalve dat zulke woorden doorgaans ten minste eenen van de vijf titels hebben die 'k hooger vermeldde — zijn zij niet dialectisch meer, maar behooren met den stukke tot de algemeene taal.

En nu, maken de goede dialectische woorden en wendingen deel van de groote Nederduitsche schrijftaal, het spreekt van zelfs dat ze de schrijvers — groote of andere — gebruiken mogen. Daar is eene schijnbare zwarigheid. Men spreekt om verstaan te worden. Zullen zij, die zulke woorden schrijven, overal verstaanbaar zijn? Ja zij, mits ze 't doen met bescheidenheid en spaarzaamheid, zoodanig dat de zin uit den samenhang der gedachten gemakkelijk te vatten is. Dit is echter een regel, dien men ook volgt voor al andere woorden en wendingen die, ofschoon door iedereen in de algemeene schrijftaal aanveerd, nogtans bij