is toegevoegd aan uw favorieten.

Langs de wegen der beproeving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't vreemde land.

Ver van zijn dorp alleen gestorven In 't gasthuis van een vreemde stad, En onbeweend naar 't graf gedragen, Terwijl men ginds zoo lief hem had!

Met 'n ingehouden vloek smeet Naas de Volder de huisdeur achter zich dicht en klotste op zijn beslikte kloeven de rood-geplavuisde woonkamer in van 't witte boerderijtje in den Godsakker. Van den haard kwam nader een ineengekrompen boerenmoedertje met 'n zwarten halsdoek om en een wit kapje op de spierwitte haren, die gescheiden er onder uitkwamen aan 't voorhoofd. „Ze zijn in 't land, moeder, ze zijn d'r en we moeten", toornde Naas d'r tegen; „hier, — hij liet haar 't oproepingsbevel zien — hier, moeder, nou is 't met me gedaan". Door zijn gevoel overmeesterd viel-ie op een stoel neer bij 't lage raam, dat versierd was met geraniums en fuchsia's, waarachter een kanten gordijn hing. „Haal m'n pak maar uit de kist" zeurde-ie, zijn groote, roode handen voor de oogen, die nat werden. Het vrouwtje kwam, buigend d'r oude lijf, naar hem toe en stond verbaasd te kijken naar d'r langen jongen, die daar zoo vreemd voorovergebogen op 'n stoel zat. „En wat is 't", zei ze, alsof ze niets gehoord had, „Naas, wat is 't". Toen stond-ie op, rekte zich uit in z'n volle lengte, keek 't vrouwtje aan met zijn goeie, blauwe jongensoogen en herhaalde langzaam, dat ie weg moest, morgen vroeg; dat ze d'r waren en dat ie nu vechten ging. Een oogenblik scheen het, of de oude nog niet begreep. „De Duitschers", zei hij