is toegevoegd aan uw favorieten.

Langs de wegen der beproeving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatste van een geslacht.

Aan den heerweg, die in oude tijden van Maeseyck naar Venlo voerde, lag een kasteel, omgeven door schuren, koetshuizen, boerenwoningen en een molen, weleer alle in gebruik, de meeste nu vervallen en onbewoond. Het kasteel, zelf gebouwd tegen een hoogrijzenden toren, met leien gedekt, stond te midden der omringende gracht als een sprekende getuige van vroegere macht en rijkdom. De niet meer met zijldoek bespannen wieken van den molen bleven stil bij de hevigste winden; de schuren werden niet meer gevuld door de nijvere boeren, wier voorvaderen met eerbiedigen schroom hun tienden kwamen optassen in de voorraadkamers van hun heer. Verlaten lang de eens zoo drukke kasteelomgeving en de bewoners der naburige dorpen gingen schuw voorbij, wanneer hun weg langs den burcht leidde, die eens de roem was van het dorp.

En zij, die nog eene ver afgelegen hoeve pachtten, bebetaalden bij een notaris in de nabuurschap hun pachtsom, want de brug van 't kasteel betreden durfden zij niet. Dikwijls werd er over den bewoner gepraat, als de boeren een kaartje kwamen leggen 's Zondags in den vooravond bij Pierke, den herbergier van den „Noteboom".

Ieder wist iets, maar niemand verstoutte zich 't ooit anders mee te deelen dan met een veelbeteekenend: „Zeggen ze" tot slot.

Allerlei praatjes deden de ronde en gingen van de ouderen naar het jonge geslacht over, dat in nieuwsgierigheid opwies naar den zonderlingen bewoner van het hooge huis, waarin

\