is toegevoegd aan uw favorieten.

Langs de wegen der beproeving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ze zetten ons op straat". Groote droefheid doorleefde hen, een krampachtige poging tot vasthouden van wat ze verliezen zouden.

De woorden van het exploot gingen hen voorbij, pas toen men raakte aan wat hun behoorde, kwamen ze tot klare bezinning. Gelaten staken ze mee de handen uit om den boedel op straat te zetten aan de overzij, waar een hooge schutting om 'n tuin was gebouwd. Een voor een gingen de meubelen het huisje uit, werden gepakt en gestapeld, totdat de leegte volkomen was en zij zelf er alleen bleven met roode oogleden en 't spartelend kindje op moeders arm.

Onopgemerkt bijna kwam een meelijdende boer hem op den schouder tikken: „Ik zal 't je voor niks rijden, zeg maar waarheen".

Ze schudden beiden het hoofd.

„Dan weet ik 't", zei de man. En hen meelokkend om te helpen laden, bracht hij hen naar buiten.

Op de kar, moeielijk zittend tusschen de op elkaar gestapelde stoelen, kasten en ander gerei, reden ze 't dorp uit 'n landweg in totdat ze kwamen bij 'n ouden toren, die bij 't verbranden der kerk was blijven staan op 't niet meer gebruikte kerkhof, met 'n langen muur omgeven.

,,'k Heb het den burgemeester gevraagd", stelde de boer hem gerust, „Je bent niet de eersten, die ik erheen breng".

Zijn teemend meelijdende stem maakte indruk op hen, ze ontdooiden en met groote bedrijvigheid hielpen ze afladen. Een duffe lucht kwam uit de pas ontsloten deur van 't oude voorportaal der kerk naar buiten. Langs de gewitte wanden, waarop het licht van 't hooge gekleurde raam grillige schakeeringen wierp, bengelden flardige webben. Van omhoog hing een dik touw, waarmee vroeger de klok geluid werd. De koude van den steenen vloer, waarop hun warme voetstappen telkens zichtbaar werden, deed hun een rilling door de leden beven. Een groote eenzaamheid kwam over hen,