is toegevoegd aan uw favorieten.

Oude glossen en hun beteekenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard bestemd waren om verplaatst te worden (i). En 't is niet waarschijnlijk ook, « daar dit symbool allicht voor een bepaalde gelegenheid vervaardigd werd, wat geschieden kon uit de eerste de beste boomtak » (2); 't is taxushout (Taxus Baccala, L.) « blijkens microscopisch onderzoek van een splintertje door prof. Conwentz te Dantzig, die zich bijzonder interesseert voor de vroegere verspreiding van deze in Noord-Duitschland vrijwel uitgestorven houtsoort » (3).

« 't Is dus wel Friesch werk (4), al is 't nauw verwant met het Angelsaksisch, dat o. a. op het Theemsmes voorkomt (5); en 't zou dateeren tusschen de VIe en IXe eeuw, mogelijk van 't midden van de VIIe eeuw (6).

Soortgelijke runen komen ook voor in een andere nog niet genoemde (7), inscriptie, op de zoogenoemde Hada-munt, een gouden geldstuk, waarschijnlijk bij Harlingen gevonden (8), en dat men dateert uit de VII* eeuw, of nog vroeger (9).

(1) Boeles, in De Nederlandsche Spectator, 1906, n° 18; en dezelfde in De Vrije Fries, XX, 2, blz. 191 : de quaestie of Friesland gedurende korter of langer tijd bewoond werd door Angelsaksische stammen.

(2) Boeles, in De Vrije Fries, a. pl. 194.

(3) Aid. 195.

(4) Von Grienberger (a. w. 397), houdt het voor een van de « relikte » van Angelsaksische stammen die in Friesland tijdelijk vertoefd zouden hebben.

(5) Vgl. Siebs in Grundriss der Germanischen Philo/ogie,V, 261.

(6) Boeles, a. pl.; Von Grienberger, a. pl.

(7) Maar door Boeles, hiervoor, aangeduid als de derde.

(8) Althans door Jlr. Dirks gekocht van een goudsmid Xuininga in Harlingen, A° 1846.

Vgl. Boeles, Vrije Fries, a. pl. blz. 195, en 201 n. vooral.

(9) Vrije Fries, a. pi. 202/3, 194.