is toegevoegd aan uw favorieten.

Oude glossen en hun beteekenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals 't zwaaraje van Arum zou ook deze « spatha » een « legitimerendes abzeichen » zijn, waarschijnlijk uit de VIIIe eeuw (i).

De runen zijn « eine intern friesische auspragung des germanischen fuparks... deren naheren quelle aber wegen der besonderen form der j-rune die sie mit nordischen bracteatlegenden teilt, vermutlich in einen nordischen runenalfabete der alteren Zeit zu suchen ist » (2).

Naast deze wel Friesche voorwerpen (3) komen enkele gouden bracteaten — gedreven siermunten — voor, uit Noorwegen of Denemarken afkomstig, die uit een terp bij Achlum te voorschijn kwamen. Ze behooren tot de groep van de « tillbakaseende djür », die ook in Jutland en Vestergötland zooveel gevonden zijn.

Inscripties op steenen in Nederlandsch-Germaansch dialekt komen niet voor (4), althans voor zoover mij bekend is.

't Weinige wat over is, geeft idee dat er geschreven werd, al was 't alleen in eigenaardig gewichtige

(1) Von Grienberger, in Zeitschr. f. Deutsche Philologie, XLI (1909), 419 vv.; daarbij XLIt, 396/7.

(2) Von Grienberger, a. pl. 425. Ook Boeles brengt ze om 't teeken van de d lot vóór 800.

Zie verder de Catalogus, waarin afbeeldingen van deze Friesche voorwerpen (Leeuwarden, 1908).

(3) Bij Domburg zijn ook enkele sceatta's, Angelsaksische muntjes, met stereotype en half verbasterde runenteekens, gevonden.

Over andere Duitsche runen op antiquiteiten, in Volhynie, Roemenie, bij de Saóne, in Posen en noordelijker, in West-Europa's vasteland gevonden, zie : Die Deutsche Runendenkmaler, von R. Henning, met 4 platen en 20 houlsneden; vgl. Gering, in Ztitschr. /. Deutsche Philologie , XXIII (1891), 356 vv. vooral.

(4) Enkele goden- en godinnen-namen uitgezonderd, waarover 'l laatste woord nog lang niet gezegd is.