is toegevoegd aan uw favorieten.

Oude glossen en hun beteekenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Germaansch-Latijn.

't Is bekend : er zijn veel geschreven stukken overgebleven; maar deze zijn in het Latijn, de taal van de kerk, van de clerici, van de ontwikkelden.

Alleen, dikwijls staan tusschen 't Latijn in, eigenlandsche woorden : niet alles kon men — tóen ten minste, of 't nu anders is? — teruggeven in de vreemde taal wat men kende in de eigene; of men wilde de technische begrippen behouden in de landstaal; of — wat ook de reden is, men schreef tusschen 't Latijn in zijn eigen taal, schreef die vaak ook door 't Latijn heen (i).

Zoo schreef men Latijn, en las Latijn. Deze taal was de taal, de eenige goede taal. Van de vele bewijzen daarvoor alleen deze : hoe Emo van Wittewierum (XIIIe eeuw) in Groningerland, « expeditissimus in

(i) Vgl. O. a. Cameraers Rekeningen van Deventer : < cellarium supra domum civitatis.. —portantes litteras,... (angentes ipsum.. — pro factura

instrumenlorum dictorum dole Troereniet equitaoti iussu scabioorum

versus Olst ad to versiane inimicos >; Bezoek Nederl. Stad, blz. 150. — VoorDuitsche, o.a. Keulsche mengtaalstukken: M. vancsa.zw erste Auftreten der Deutschen Sprache in den Urkunden (1895)8. 23, vv. Mortale malum debet mortali pene refrigerari (morth motma mith morth kela), » — e. a., zie mijn mededeelingen in Rechtsgel. Mag. 1892, blz 347 En nu ook kalff, Ned. letterk., i, 25 : voor de Isengrimus.

Verderde Malbergsche Glossen bij hessels-kern, Lex Salica ■ de glossen in andere Leges als de Lex Alamannorum, L. Baiuwariorum, L. Burgundionum, L. Frisionum, L. Langobardorum, alle in Mon. Germ., LL. III en IV; en de vele glossen in charters.

't Oudfnesch interverbaal afschrift van enkele Dsalmen, bij gallée Zeitschrift für Deutsche Philologie, XLII (hierna bij XXII).