is toegevoegd aan uw favorieten.

Oude glossen en hun beteekenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taten (i); Natuerkunde over den Menscli, Gezondheidsregels, e. d. — staat veel gememoreerd : dat alles mocht wel eens door een medicus en physicus bewerkt worden (2).

Maar daarnaast en boven deze zijn de glossenverzamelingen en de glossaria aan te slaan; inzonderheid de « class glossaries », groeps- of systeemglossaria; al geven de onze misschien voor 't oude ook niet zooveel als de buitenlandsche. En al is wat er in staat, vaak uit teksten al bekend, zoo krijgt men toch door het bijeengroepeeren, en 't vrij, zoo niet geheel, volledig opsommen van wat bij elkaar hoort, — een gemakkelijk, helder en leerzaam overzicht van wat men toen kende en nog niet kende (3).

De lijsten van plantennamen zijn vaak verzameld voor medische doeleinden, en voor 't gebruik van medicijnmeesters en kruidenkenners (4); soms zelfs « varia adjecta sunt precepta ad plantarum in arte medica adhibitarum usum spectantur » (5). En zijn als zoodanig van bijzondere waarde, ook voor de historische medicijnkunde.

(1) Middelnederlandsche Recepten en geneeskundige traktaten worden uitgegeven door Willem de Vreese (i* afl., 1894.).

(2) Yperman's Chirurgie gaf de Medicus prof. E. C. van Leersum, in 1912 uit.

(3) M. Koenen en vooral Dr. J. H. Halbertsma wees er al op, op 't Congres te Brugge 1862 (zie de Handelingen, blz. 209, 215, 225); Koenen geeft de voorkeur aan de Vocabularia Rerum, en Halbertsma stelt Plantijn ver boven Kiliaen, om zijn « verscheyden redenen ende manieren van spreken » die bij de woorden staan; zoo ook kiest hij Junius zijn Nomenclator boven de andere, blz. 248.)

(4) Zie de c Nomina herbarum » bij WRiGHT-WüLCKER (d. 133)» Alfrics Vocabulary (X® eeuw) : « beiüg so much used for medicinal purposes »: zooals uenenifuga « atterlathe », febrefugia « feferfuge », etc,

Eq een ander vocabulary (XlIIe eeuw) « evidently intended for the use of a medical practitioner », (ald. p. 553)*

(5) Diefenbach, Glossarium Latino-Germmicum mediae et infimae aetatisy n° 26.