Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baring van de oprichting der zaak, nl. voor hare inwerkingbrenging, zoodat ook eerst hiervoor de vragen te motiveeren zijn, eensdeels of uit een oeconomisch oogpunt de uitoefening van het bedrijf te bedoelder plaatse te gedoogen is; anderdeels of de eigendommen, de gezondheidstoestand enz. der omwonende ingezetenen geene benadeeling daarvan te duchten hebben.

Beide deze vraagpunten maken echter slechts onderdeden uit van een en hetzelfde onderzoek, nl. dat of de uitoefening van het bedrijf, op de wijze als de aanvrager dit wenscht, ter plaatse al dan niet is toe te laten.

Met deze zienswijze houdt verband de buitenwerkingstelling, sub „Eerstelijk" der ordonnantie, voor de onder de toepassing daarvan vallende landbouwondernemingen, van de resolutie van 3 Februari 1836 n°. 11 (Staatsblad n°. 10) (*) en de verordening van 29 Maart 1866 (Staatsblad n°. 27), welke de poenale sanctie der bepaliugen van die resolutie bevat, terwijl daarentegen in de Voorschriften tot uitvoering der ordonnantie (2) (§ 1 lid 4) strekking en beteekenis van laatstomschreven onderdeel van het in te .stellen plaatselijk onderzoek in bijzonderheden zijn aangeduid, om verder misverstand te voorkomen.

Als logisch gevolg van een en ander zal voor het in werking brengen en drijven van nieuwe ondernemingen, als bedoeld in artikel 1, slechts ééne vergunning noodig zijn.

(') Bij de ordonnantie van 1 Juli 1910 (Staatsblad n°. 375) werden alsnog de bepalingen der hoogervermelde resolutie in dien zin gewijzigd, dat daarin uitdrukkelijk werd vermeld, dat de ondernemingen, bedoeld by artikel 1 der ordonnantie van 21 September 1899 (Staatsblad n°. 263) zijn uitgezonderd van de toepassing dier resolutie.

(2) Bedoelde voorschriften werden oorspronkelijk vastgesteld bij artikel 2 van het Gouvernements besluit van 21 September 1899 n°. 6 (Bijblad n°. 5432) doch in 1910 vervangen door nieuwe voorschriften tot „verdere" uitvoering der hierbedoelde verordening (Bijblad nr. 723.8),

Sluiten