Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Op welke In afwijking van de vorige regeling, welke op geene ondernemingen de andere dan suikerondernemingen betrekking had, zijn ordonnantie toe- de daarvoor in de plaats getreden bepalingen ook van passelijk is. toepassing op indigo-ondernemingen, die aan de omschrijving in het eerste lid van artikel 1 voldoen en niet, ingevolge het tweede lid van artikel 8, van die toepassing zijn uitgesloten.

Deze laatste hebben, evenals de eerste, de beschikking noodig over een deel van den bouwgrond en van het bevloeiingswater voor den Inlandschen landbouw; het ligt dus ook voor de hand, dat er geene reden was om hetgeen verordend moest worden voor suikerondernemingen, niet te doen gelden voor die, tot bereiding van indigo.

Suikerbibit-ondernemingen zijn, inzonderheid om practische redenen, vooralsnog niet aan de beperkende voorschriften der ordonnantie onderworpen.

7. Hervatting Het tweede lid van artikel 1 bepaalt, dat eene verder exploitatie gunning van den Directeur van Binnenlandsch Bevan definitief ge- stuur mede vereischt wordt voor het weder in werking staakte onderne- brengen en drijven van suiker- of indigo-onderneminm'nflen' gen, welker exploitatie, naar diens oordeel, geacht

wordt definitief te zijn-gestaakt.

Daarmede is niets nieuws voorgeschreven, want ook onder de werking der vorige ordonnantie werd, ofschoon zij het niet uitdrukkelijk te kennen gaf, aangenomen, dat de hervatting der exploitatie van definitief gestaakte suikerondernemingen niet zonder vergunning mocht geschieden.

Bij de Circulaire van den Algemeenen Secretaris van 23 Mei 1896 n°. 1080 werd toch aan de betrokken Hoofden van gewestelijk bestuur medegedeeld, dat de bewoordingen van artikel 1 der verordening in Staatsblad 1894 n°. 87 „geene andere uitlegging toelieten dan „dat die verordening toepasselijk was op alle daarbij

Sluiten