Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze inzichten zijn het, welke bij de Regeering den doorslag hebben gegeven, om, in stede van het laatste tijdperk vóór de inwerkingtreding der ordonnantie, als maatstaf van berekening te kiezen de aanplantingen, in den grond gebracht in het jaar der invoering van de regeling, het daaraan voorafgaande en het daarop volgende kalenderjaar.

Van de toepassing van dezen algemeenen regel voor de bij de inwerkingtreding der ordonnantie in exploitatie zijnde suiker- en indigo-fabrieken moesten natuurlijk worden uitgezonderd de op den voet der bepalingen van het jaar 1894 tot stand gekomen ondernemingen der eerstbedoelde soort, aan welke, gelijk hiervoren op blz. 33 is aangestipt, bij het besluit, houdende vergunning tot hare oprichting, reeds voor den jaarlijkschen aanplant een maximum-cijfer is aangewezen.

Het tweede lid van het onderwerpelijk wetsartikel verklaart daarom, dat voor die ondernemingen van kracht blijven „de voorwaarden, waaronder de exploi„tatie is toegestaan", dus ook het daarbij vastgesteld of later bij besluit van den Gouverneur-Generaal verhoogd maximum-cijfer voor den fabrieksaanplant.

Het eerste lid van § 6 der oorspronkelijke, bij artikel 2 van het besluit van den Gouverneur-Generaal van 21 September 1899 n°. 6 (Bijblad n°. 5432) bekrachtigde Uitvoeringsvoorschriften droeg aan de Hoofden van gewestelijk bestuur op, met de grootste zorgvuldigheid en in overleg, zoo mogelijk, met de beheerders der betrokken ondernemingen, de tot vaststelling van de maxima der jaarlijksche bruto-aanplantingen noodige gegevens te verzamelen.

De op grond dier gegevens billijk geachte maxima werden krachtens het tweede lid van voornoemde paragraaf, vóór hunne vaststelling, van Regeerings-

Sluiten