Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„bruto-aanplant der onderneming vastgesteld maximum „en wordt deze aangemerkt als definitief te zijn „gestaakt".

Oorspronkelijk luidden de hoogerbehandelde voorzieningen:

(1) „Is, op het in de eerste alinea der vorige paragraaf aangeduid tijdstip, de exploitatie eener onder„neming tijdelijk gestaakt, zonder dat die staking het „gevolg is eener vereeniging van exploitatie, dan wordt „haar een voorwaardelijk maximum toegekend, het„welk op gelijke wijze, als in § 2 is voorgeschreven, „wordt berekend, zoo mogelijk over het laatste drie„jarig tijdvak harer exploitatie of anders over zoovele „jaren minder, als de onderneming laatstelijk achter„eenvolgend in werking is geweest.

(2) „Ingeval de tijdelijke staking plaats heeft na „genoemd tijdstip, blijft het voor de onderneming vastgesteld maximum voor den jaarlijkschen bruto-aan„plant voorloopig van kracht.

(3) „Indien echter niet, blijkens schriftelijke mede„deeling van den beheerder, binnen den tijd van vijf „kalenderjaren — het jaar van de vaststelling der „maxima in het eerste geval, dat van het begin der „tijdelijke staking in het tweede geval inbegrepen — „de exploitatie ten genoegen van den Gouverneurgeneraal is hervat, vervalt in beide gevallen het maxi„mum der onderneming en wordt deze aangemerkt als definitief te zijn gestaakt".

In de in 1900 ter Landsdrukkerij verschenen toelichting werd hieromtrent op blz. 36 aangeteekend:

„Om de bepaling in het eerste lid met een voorbeeld „toe te lichten, wanneer eene onderneming sinds het „jaar 1898 hare exploitatie heeft gestaakt, echter geene „termen aanwezig zijn om al aanstonds tot eene definitieve sluiting te coneludeeren, wordt haar een voorloopig maximum verleend. Heeft zij nu in de jaren „1895 t/m 1897 een bruto-aanplant in den grond ge-

Sluiten