Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omtrent geen beding meer in cle vergunningsbesluiten behoeft te worden opgenomen, terwijl voorts, bijaldien de ondernemer aan die wetsbepaling geen gevolg beeft gegeven, de vergunning kan worden ingetrokken, tenzij genoemde Departementschef termen mocht vinden om den gestelden termijn te verlengen.

Evenzoo ~kan de vergunning worden ingetrokken, indien, ook weder ter beoordeeling van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur, niet of niet voldoende een of meer der overigens gestelde voorwaarden zijn nageleefd, welke bevoegdheid, luidens het derde lid van artikel 4, zoowel betrekking heeft op de krachtens artikel 1 verleende vergunningen, als op die, bedoeld in artikel 2.

Dat eindelijk machtiging moest worden gegeven om, ingeval de exploitatie eener onderneming definitief is gestaakt, met het gevolg dat deze niet meer als bestaande is te beschouwen, de c. q. tot hare inwerkingbrenging verleende vergunning in te trekken, ligt voor de hand.

Kort na de totstandkoming der bij Staatsblad 1905 n°. 148 aangebrachte wijziging viel er de aandacht op, dat de Directeur van Binnenlandsch Bestuur wèl krachtens het eerste lid van het gewijzigd artikel 4 der Fabrieken-ordonnantie, in de sub n en b van dat lid omschreven gevallen, zelfs tegen den wil van belanghebbende, tot wijziging eener vroeger door de Regeering verleende vergunning kon overgaan, doch dat die Departementschef daartoe in andere gevallen, ook al werd door belanghebbende daarom gevraagd, niet bevoegd was.

Om aan dezen toestand een einde te maken werd de Directeur bij missive van den Gouvernements-Secretaris van 26 Juni 1905 n°. 2357 gemachtigd om, behoudens het bepaalde in het evenaangehaald artikel, in

Sluiten