Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 1.

(1) Voor het in werking brengen en drijven van ondernemingen voor de bereiding van suiker of indigo, welke geheel of gedeeltelijk berusten op den grondslag van overeenkomsten met de Inlandsche bevolking tot inhuur van gronden of tot opkoop van gewas, wordt eene vergunning vereischt van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur (1).

(2) Gelijke vergunning wordt vereischt voor het weder in werking brengen en drijven van suiker- of indigo-ondernemingen, welker exploitatie, ter beoordeeling van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur (*), geacht wordt definitief te zijn gestaakt.

Artikel 2.

(1) Voor elk der bij de inwerkingtreding dezer ordonnantie in exploitatie zijnde ondernemingen, als bedoeld in artikel 1, voor zoo ver niet uitsluitend door opkoop verkregen gewas verwerkende, bepaalt de Gouverneur-Generaal het maximum der uitgestrektheid van den jaarlijkschen bruto-aanplant van maalriet of indigo-gewas, welk maximum berekend wordt naar de uitgestrektheid van den grootsten aanplant, dien de onderneming daarvan heeft aangelegd in het driejarig tijdvak, omvattende het jaar waarin deze verordening is vastgesteld, het daaraan voorafgaande en het daarop volgende kalenderjaar.

(2) Voor de ondernemingen, in werking gebracht krachtens eene op den voet van de ordonnantie van 9 April 1894 (Staatsblad n°. 87) verleende vergunning, blijven van kracht de voorwaarden, waaronder de exploitatie is toegestaan.

(3) Ondernemingen, welke op het in alinea 1 gemeld tijdstip uitsluitend door opkoop verkregen suikerriet of indigo-gewas verwerkten, mogen niet tot een eigen aanplant dier gewassen op gehuurde gronden overgaan zonder vergunning van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur (1), waarbij tevens een maximum voor den jaarlijkschen bruto-aanplant wordt vastgesteld.

(4) Tot uitbreiding van den aanplant boven het vastgesteld

'!) Gewijzigd bij de ordonnantie van 22 Februari 1905 (Staatsblad N°. 148).

Sluiten