Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met zedelijke middelen kan het antagonisme dat nu bestaat worden vernietigd. Men zoeke getrouwelijk bij alle verschil naar het in leven roepen eener hoogere eenheid. —

Ik wil al dadelijk één veld voor gemeenschappelijke werkzaamheid opnoemen en in dit verband iets zeggen over den maatschappelijken toestand van een belangrijk deel der Indiërs in Indië, van hen die staan op den laagsten sport van den Europeeschen maatschappelijken ladder. Over dien toestand is eenig licht verspreid door het rapport van 1903 der meest dusgenaamde „pauperisme-commissie", ten daaraan voorafgaanden jare door de regeering ingesteld. Het woord „pauper" was niet het meest juiste, althans als dit eensbeduidend wordt geacht met arm, maar moet — Kielstra heeft er reeds op gewezen in „Onze Eeuw" van 1903 — ook in anderen zin worden opgevat.

Er leeft in Indië, meest ver buiten het centrum der grootere steden, een groote schare van Europeanen die, als men naar Europeesch voorbeeld ze wilde classificeeren, a's middenstand zouden moeten worden beschouwd, maar tusschen wie en de middenstanders in Nederland een hemelsbreed verschil bestaat. In bloot uiterlijke beschaving staan ze soms hooger, maar lager in energie, in wil om vooruit te komen. Het is de stand waaruit, dank zij de specifiek Indische instelling van het „Klein-ambtenaarsexamen", hoofdzakelijk de klerken op gouvernementsbureaux worden gerecruteerd, de stand waarin het zijn van „ambtenaar" het hoogste doelwit van aller wenschen vormt.

Voor een groot deel zijn ze voortgesproten uit Europeesche geslachten die eens veel hooger stonden in de Indische samenleving en allengs „van Koningsplein tot gang Ketapang» zijn afgedaald; merkwaardig is het vaak vele namen, eens met eere genoemd in de Indische annalen, nu terug te vinden vooral in de Europeesche kampongs der groote steden; hoevelen zijn er niet die, wilden ze, met volle recht een adellijken titel voor hun naam zouden kunnen schrijven.

Slechts heel enkelen werken zich op uit de laagte waarin zij vervallen zijn; de meerderheid blijft geslacht na geslacht voortleven in de achterbuurt. Van gebrek lijden is meestal geen sprake; armlastig zijn betrekkelijk zeer weinigen; door oefening van liefdadigheid kan hier niet worden geholpen.

Zeker is oefening van liefdadigheid noodig, maar hoofdzakelijk alleen voor dat deel der Indiërs — en dan hebben wij natuurlijk echte «Indo's« op het oog — die de vrucht zijn van wilden echt van Europeanen, wier vader meende zijn plicht jegens het nageslacht voldoende te hebben betracht door zijn naam te geven aan het kind, of te zorgen dan wel of goed te dat een ander — onwaar x) — het erkende, maar zich verder van diens lot niets aantrok. Voor hoevelen dezer zijn weeshuizenen gestichten, als van der Steurs stichtingg, ten slotte het toevluchtsoord ?

') Nog altijd wacht Indië op wettelijke maatregelen ter voorkoming van onware erkenningen, al moet er al sinds jaren een ontwerp daarvoor berusten ter Algemeene Secretarie.

Voor de meerderheid zijn andere middelen noodig.

Dat heeft sinds jaren de Indische, bond ingezien die besloot cursussen in het leven te roepen voor verder onderwijs. Zulk verder onderwijs, vooral vakonderwijs, dan de lagere school kan schenken werd door dien Bond het middel geacht. Terecht schreef de pauperisme-commissie aan het slot van haar rapport dat ook in deze »het kind hoofdobject van beschouwing« blijft. Te betreuren valt het als men constateeren moet hoe weinig sympathie blijkbaar nog vaak de bondscursussen vinden juist bij de meest-belanghebbenden ; valt ook hier niet weder vooral een verregaande indolentie te betreuren ?

Er ligt, dunkt mij, voor die Europeanen — Indische en anderen — in Indië die het wel meenen met het volk, hier een terrein open waarop in gemeenschappelijke samenwerking oneindig veel te doen valt. Wat noodig is, dat is het wakker roepen bij dezen Indiër van den middenstand van den wil om vooruit te komen, van de overtuiging dat het ambtenaar zijn niet is het hoogste dat nagestreefd moet worden, van den zin om, desnoods met tijdelijke terzijdestelling van het zijn van »heer« (toean), langs den weg van ambacht en bedrijf vooruit te komen in de wereld en van het scheppen van ruimer gelegenheden om daarvoor zich te bekwamen. Hier ligt grooter probleem op te lossen zelfs dan dat hetwelk de tegenstelling tusschen

»Indiërs« en »Europeanen« oplevert.

In Indië heeft men zich jarenlang doodgestaard op de sociale kwestie, beschouwd ten opzichte van den inlander. Zeker was ook die kwestie van belang maar zij was niet de eenige en dit werd mogelijk wel eens uit het oog verloren.

Welnu: die kwestie is op weg haar oplossing te vinden. En regeering, èn Europeesche particulieren hebben zich ingespannen naar die oplossing te zoeken en wat deze nog niet kunnen, zal ten slotte doen de Sarekat Islam, in mijn oog een op gezonden basis berustend bewijs van opleving, van zelfbewustwording onder de inlanders van Java.

Nabootsing, maar op verkeerd gekozen terrein, van die Sarekat Islam was de «Indische partij« aan welke alle welberaamdheid, alle juist inzicht, al het sympathieke, dus ook alle kans op succes ontbrak. Men meende de bestaande kwestie te moeten beschouwen als een politieke, terwijl ze behoort te worden beschouwt als eene sociale en elke van beide Europeanengroepen goed zal doen ze alleen als zoodanig op te vatten.

Nog honderd jaar verder: hoe zal het dan zijn ? De vlag van Nederland zal dan, ik hoop het van harte, nog hare banen ontplooien over het land dat wij noemen Nederlandsch-Indië; moge dan die naam hebben plaats gemaakt voor een andere en betere, voor dien van nlndisch Nederland*., den eenigen naam die past voor het land zooals het dan moge zijn, een land waarin niet meer bevolkingsgroep zal staan tegenover groep, maar waarin alle groepen, al geven ze hare »versiteiten« niet prijs, zich bewust zullen wezen een hoogere eenheid te vormen. Moge die bewustheid dan allereerst gewonnen worden zoo bij de »Eu-

Sluiten