Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen doen, dan wanneer mocht blijken, dat wij den waren aard der in Indië heerschende toestanden beter hebben leeren doorgronden en ru door gelouterde opvattingen in onze koloniale bemoeiingen geleid worden.

Voorzeker kennen wij in de koloniën wel geen be- j langwekkender en gewichtiger bestanddeel dan den mensch; van economisch standpunt mag men zelfs

met recht beweren, dat de volkrijkheid van dit tropisch gebied een der grootste rijkdommen ervan uitmaakt. Bij gelegenheid van ons eeuwfeest treedt daarom zeker de vraag op den voorgrond, welke vooruitgang is er bij de openbare meening in Nederland omtrent de Inlanders van Oost-Indië, die richtsnoer voor onze koloniale politiek, in dat tijdsverloop op te merken.

Wel nergens vindt men die beter uitgedrukt dan in de meer of minder offïcieële stukken der leiders op koloniaal staatkundig gebied voorheen en thans.

Bij de lezing van aanhalingen uit deze zal men vele tegenwoordig haast onbegrijpelijke meeningen met grooten ernst uitgesproken en als basis voor uitvoerige beschouwingen aangewend vinden ; men dient zich daarbij rekenschap te geven, wat twee bevoegde autoriteiten van de ambtenaren in Indië getuigden:

De oud-gouverneur-generaal Daendels zegt op bladzijde 20 van het - Voorberigt' van zijn »Staat der Nederlandsche Oostindische Bezittingen « : Ik vond dan ook geene noemenswaardige tegenwerking en ik werd alzoo overtuigd, dat de voormalige algemeene inkruipselen meer aan de gewoonte, dan aan het karakter der ambtenaren moesten geweten worden».

Raffles getuigt van hen, dat zij weinig met de eigenlijke inlandsche maatschappij in aanraking kwamen en slecht van wat daarmede samenhing, op de hoogte waren.

Gewapend met deze waarschuwingen tegen den ontaardenden invloed eener slechte staatkunde en onwetendheid, zullen wij zien, wat de twee hoofdfiguren der koloniale beweging in ons land omstreeks ?800 als dè waarheid over indië aan hunne landgenooten meenden te moeten verkondigen.

D. van Hogendorp geeft in zijn »Bericht van den tegenwoordigen toestand der Bataafsche Bezittingen in Oost-Indiën en den Handel op Dezelve* op bladziide 4 deze schildering : »De Godsdienst der Javaanen

is over het algemeen de Mahomedaansche: echter zijn deeze Eilanders geenszins sterke ijveraars voor hunnen Godsdienst zooals anders Mahomedanen meest altijd zijn. 1 lunne geaardheid is zacht en geduldig, schoon niet ligt eene beleediging vergeetende of vergeevende: onder goede wetten en een goed bestuur zal men hen een goed en zagtmoedig volk bevinden. De moorden en andere onregelmatigheden, welke thans op sommige plaatsen bedreven worden, zijn meer aan het slegt bestuur dan aan de geaardheid van het volk toe te schrijven; en het is op dezelfde wijze gelegen met de luiheid en onverschilligheid, die hen thans kentekenen .

Zonderling wordt het ons echter te moede, wanneer hij op bladzijde 191 van de Baliërs, wier land toch

aan zijn gouvernement grensde, getuigt; De Baliers zijn een woest, wild, valsch en oorlogzuchtig volk, doch onwillig tot werken en afkeerig van den landbouw. Ook zijn ze zeer arm en bestaan alleen van de rijst, die het Eiland-Lombok, dat zeer vruchtbaar is, oplevert. De Inwooners van dit Eilandje zijn zeer verschillend van de Baliërs, vreedzaam en rustlievend . . .

Evengroote onwetendheid blijkt uit de volgende opmerkingen ; op bladzijde 160 over Sumatra's Westkust: »Binnenlands, op de gebergtens, die als een keten van het Noorder- tot het Zuider einde loopen, zegt men,

woonen veele volkeren, half wild, welke de eigenlijke oorsprongelijke Ingezetenen van het Eiland zijn; doch men weet er weinig van over Borneo

op bladzijde 162: De Malyers, die de kust bewoonen, zijn te lui, om die (stofgoud en diamanten) zelve op te zoeken of uit te graven» ; op bladz. 163 : i «Doch die handel is zeer gevaarlijk, want alle die Vorstjes zijn groote bedriegers en geweldenaars, die niet schroomen alle list en geweld te gebruiken, om I de kooplieden te bedriegen en te berooven .... op bladzijde 161 : «het binnenste daarvan, meest hooge bergen, is weinig bekend en bewoond door wilde volkeren, die waatschijnlijk de oorsprongelijke inboorlingen van dit Eiland zijn.«

Hier is de man aan het woord, die met opottering van eigen belangen die van het vaderland en van de bevolking zijner koloniën door voorstellen tot ingrijpende hervormingen van het bestuur trachtte te bevorderen en hiermede eigen gevangenneming en een heftig twistgeschrijf met de aanhangers van het oude stelsel van bestuur en handel heelt uitgelokt.

Mr. S. C. Nederburgh, oud-secretaris-generaal van de Compagnie en jarenlang commissaris-generaal in Indië in de negentig van de achttiende eeuw, mag als hoofdvertegenwoordiger van deze laatsten gelden. Als verweer tegen de zijns inziens verderfelijke meeningen van van Hogfndorp gaf hij verschillende stukken in het licht, waaronder »Verhandeling over de Vragen of, en hoeverre enz. 's Haage 1802« wel de uitvoerigste is. Nadat hij daarin den ondergang van vrijgemaakte slaven beschreven heeft, laat hij zich op bladzijde 59 over de Indische volken op deze wijze uit : »Deeze menschen ('de slaven) zijn, wel is waar, zelden van Javaansche afkomst, maar meestal Bougineezen, Macassaaren, enz ; doch de aart dezer volkeren is, wat de hun aangebooren traagheid betreft, dezelfde, en het voornaamste onderscheid, dat ik tusschen deeze landaarden, en de Javanen heb kunnen opmerken, is, dat deze laatste nog dommer en trager zijn, en veel minder energie van caracter hebben, zo dat men hun zeeker niet geschikter kan achten, om er industrieuse, en werkzaame menschen van te maaken."

Onder zijn invloed vooral zijn in 1803 gegeven : Consideratiën en Advies van de Commissie tot de OostIndische Zaken, waarin deze regeeringscommissie als haar oordeel op bladz. 137 (bij Mr. P. Mijer, Verzameling van Instructien, enz. Bat. 1848) opneemt: «Hetgeen misschien met vrucht kan geschieden bij

Sluiten