Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

on the Districts of Japara, by the Resident Dornick, 1812, de meening van dezen Nederlander op : »If the Javan is a person of rank, or in affluent circumstances, he will be found superstitious, proud, je.alous, vindictive, mean, and slavish towards his inferiors and those unfortunate beings, that are subject to his orders, lazy and slothful.

The lower class is indolent and insensible beyond conception, and although certain persons, who presume to be perfectly acquainted with the character of the Javan, maintain the contrary, still I am convinced by daily experience, that the Javan in general is most shockingly lazy, and that nothing but fear of his superior, and apprehensisn of being punished, or momentary distressor want, can compel him to

labour Cowardly, vindictive, treacherous, incli-

ned to rob and to murder rather than work, cunning in evil practices, and unaccountably stupid (supposed intentionally), if any good is required trom him."

Nu na honderd jaren het gebied onzer koloniale wetenschap en koloniaal staatkundige overtuiging nagaande, valt wel in de eerste plaats op, welk een vooruitgang in inzicht omtrent den aard der Indische volken wij in dien tijd hebben doorgemaakt. Een belangwekkende, nog steeds wassende bibliotheek van werken over onze Oost-Indische koloniën hebben de ernstige pogingen in die eeuw, om hier klaarheid te brengen, ons opgeleverd Onder de leiders onzer koloniale staatkunde is de persoonlijkheid onzer Inlanders niet meer een volslagen onbekende, of wat, als toen, nog erger zijn zou, men maakt er zich niet meer een geheel valsche voorstelling van. Werden in die tijden nog slechts enkele kuststreken der Buitenbezittingen oppervlakkig in hunne beschouwingen betrokken, thans houdt men zich met oordeel des onderscheids met de diepste binnenlanden der grootste eilanden bezig.

Als grond eener rationeele koloniale gedragslijn heeft zich die ontwikkeling der denkbeelden gedurende de achter ons liggende eeuw in stijgende mate doen gelden en dat die ten slotte gevoerd heeft tot een volslagen ommekeer in het oordeel over Inlanders ook in de openbare meening in Nederland, daarvan vinden wij in de beraadslagingen in 's Lands Vergaderzalen op het Haagsche Binnenhof de beste bewijzen. Evenals vroeger in ambtelijke stukken getuigen daar nu de op den voorgrond tredende personen van hetgeen er in 't algemeen op koloniaal gebied gedacht wordt. Van het toepassen van een uitbuitingssysteem als dat der Compagnie is daarbij geen sprake meer ; inplaats daarvan treedt het welvaren van den Inlanders zelf naast dat van den Europeaan steeds meer op den voorgrond. Wat er dienovereenkomstig in het bestaan der bruine bewoners onzer tropische gewesten in de laatste eeuw reeds verbeterd is, daarover zou eene studie een krachtigen steun verschaffen aan de overtuiging, dat wij op koloniaal gebied ons over grooten vooruitgang kunnen verheugen, en aan ons zelfvertrouwen, om moedig de voor ons liggende taak als een

der oudste en grootste koloniale mogendheden te doorworstelen.

A. W. Nieuwenhuis.

De Bestuurswerkkring in Nederlandsch-Indië voorheen en thans.

Dit jaar is er een van terugblikken op allerlei gebied, en al herdenkt de hervatting onzer koloniale geschiedenis haar eeuwfeest wat later, onwillekeurig houdt ook zij ons bij dit rustpunt bezig. De ontwikkeling van onze bestuursbeginselen voor den Oost-Indischen Archipel is in die verloopen eeuw van zulken aard en omvang geweest, dat wie let op het begin- en dan op het eindpunt, gaat vragen, of zulk een ommekeer in zulk een tijdsbestek wel aan evolutie te danken kan zijn, of niet veeleer aan revolutie moet worden gedacht. Eu dat, ofschoon in dienzelfden tijd gedurende heele tijdvakken in wijden kring over roestige rust, over indolentie en stilstand geklaagd is !

Beziet men de gebeurtenissen uit het oogpunt van de taak, die de besturende ambtenaren te vervullen hadden, dan onderscheidt men vanzelf drieërlei voorstelling van de verhouding tusschen overheerscher en overheerschten, die ieder in eene eigen periode den toon aangeven.

Exploitatie der Inlandsche bevolking ten bate van den Nederlandschen staat is het alles domineerende denkbeeld in het eerste tijdvak, en de taak der staatsambtenaren wordt in overeenstemming met dat hoofddoel opgevat. Bestuur en rechtspraak over den Inlander bevinden zich in dezelfde hand, die hem drijven moet naar de koffietuinen om zooveel van zijne werkkracht als hij geacht wordt niet voor zichzelf noodig te hebben, te besteden voor de vulling der pakhuizen, waaraan Nederland nooddruft en overvloed ontleenen zal De egoïstische tradities der aan hare feilen bezweken Compagnie werden, gewijzigd naar den geest des tijds, voortgezet. De ambtenaren werden beter betaald en gaandeweg ook wat strenger gecontroleerd, en het letten op zekere belangen der Inlandsche bevolking werd hun aanbevolen, maar zoowel zij als de Inlandsche hoofden, met behulp van wier gezag zij het programma der Regeeriny uit te voeren hadden, wisten goed, dat hunne waardeering in zeer onmiddellijk verband stond met de materieele resultaten van hun beleid, resultaten, waaraan elk belang ondergeschikt werd gemaakt. Aan dit stelsel lag de hypothese ten grondslag, dat »de Inlander« over het geheel genomen eene even onveranderlijke grootheid was als de bodem, waaraan met behulp van zijnen arbeid de producten voor de wereldmarkt ontwoekerd moesten worden. Die onveranderlijkheid werd ondersteld bij den »kleinen man«, bij den inheemschen adel, wiens willig instrument hij was, en in de geheimzinnige adat, die regels aangaf voor het geheele leven van volk en hoofden en beider onderlinge verhouding bepaalde.

In de tweede helft der negentiende eeuw begon het te gisten. Het veel geprezen exploitatiestelstel werd onderworpen aan eene soms kalme, soms wilde,

Sluiten