Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd scherpe en rake critiek. In de pers en in de volksvertegenwoordiging ontbrandde de heftige strijd tusschen de «liberale» en de conservatieve» koloniale politiek. De nieuwe richting dier dagen cischte voor de Inlanders een bestuur dat hun de vrije beschikking over eigen werkkracht waarborgde, hetgeen onvereenigbaar scheen met de rol van den Staat als ondernemer en koopman. De dwangcultuur moest plaats maken voor de vrije, de directe winsten van den Staat voor indirecte fiscale voordeelen, de productie voor de wereldmarkt moest gedirigeerd worden door Europeesche «particulieren» in vrije concurrentie. Heel wat «onweerlegbare» theorieën en heel wat «onafwijsbare» lessen der ervaring moesten ter zijde gesteld worden, voordat de conservatieve politiek als overleden kon worden beschouwd. Zelfs na haar dood werkte zij lang nog na; eerst het uitblijven der batige sloten deed haren nagalm geheel verstommen.

Onder de min of meer consequente toepassing der liberale beginselen kreeg het ambt der Europeesche bestuurders in vele opzichten een ander karakter. Een groot deel der rechtspraak werd aan rechtsgeleerden opgedragen De bemoeienis van den bestuursambtenaar met dwangcultuur verminderde langzaam, maar dan toch met de zekerheid, dat zij bestemd was om eindelijk te verdwijnen. Hem werd eene opleiding gegeven, die gericht was op kennis van de talen, landen en volken, waarmee hij bemoeienis hebben zou, van onze geschiedenis in die gewesten en van de beginselen en wetten, waarnaar ons bestuur daar was ingericht, of liever ingericht moest worden

Alle aandacht bleef geconcentreerd op Java; van meer intensieve bemoeienis met de - Buitenbezi tingen* — zulk een een naam spreekt al boekdeelen — stelde men zich hooge uitgaven, vele bezwaren en weinig genoegen voor, en men voelde zich volstrekt niet zedelijk verplicht, den feitelijken bestuurskring verder uit te breiden dan waar zich dadelijk profijt liet voorzien.

De Inlandsche hoofden, onder wier bestuur de bevolking, behoudens het hoogere toezicht der Europeesche ambtenaren, heette gelaten te zijn, zouden van deze »oudere broeders» leeren, hoe zij hun geërfd prestige ten bate van de welvaart des lands hadden te gebruiken, en intiemere bekendheid met het leven en de belangen der kleine luiden moest de voogden in staat stellen, dat toezicht doelmatig te doen werken Er waren onder de Europeesche bestuurders vele voortreffelijke mannen, maar de algerneene bestuursmethode werkte zonder veel perspectief en was meest «vaderlijk» in den minder gunstigen zin van dit woord. Men gebruikte de Inlandsche hoofden als instrumenten, en het voorname doel hunner opvoeding tot een hoogere opvatting hunner officieele werkzaamheid werd uit het oog verloren. Met den «kleinen man« werd omgesprongen naar de invallen van de voor bewaring van eenige continuïteit bedenkelijk snel wisselende bestuursambtenaren, die natuurlijk dikwijls sceptisch werden ten aanzien der mogelijkheid van het bereiken van blijvende resultaten.

Over de onveranderlijkheid van den Inlander en I van zijne door Europeanen vaak met grooter eerbied : dan door hemzelf vereerde adat bleven in wijden kring allerzonderlingste denkbeelden heerschen, die men tegen opkomenden twijfel verdedigde met den dooddoener «practische ervaring», hetgeen gewoonlijk niets anders beteekende dan een beetje verroeste routine. Het denkbeeld eener ontwikkeling deigewone Inlanders tot menschen met een zelfstandig inzicht in hunne eigen belangen, van de Inlandsche hoofden tot ambtenaren, die verantwoordelijkheid van eenig belang zouden kunnen dragen, werd in alle heerschende kringen als iets ongerijmds beschouwd. De weinigen, die geloofden aan de vatbaarheid van het Inlandsche intellect en van het Inlandsche karakter voor opvoeding tot een peil, dat onder ons als hoog geldt, wonnen zonder moeite het verl rouwen van Inlandsche ouders, die voor hunne kinderen meer geestelijk goed wenschten dan hun eigen deel geweest was, maar zij hadden met en voor hunne pupillen tal van hindernissen te overwinnen, die Europeesch vooroordeel hun in den weg legde. Het slagen van enkelen moedigde velen aan, en weldra telde de Inlandsche maatschappij een geleidelijk toenemende klasse van intellectueelen van allerlei slag. De Regeering zag zich genoopt, aan de toenemende vraag naar onderwijs en opvoeding in zekere mate te voldoen, en het Bestuur kwam willens of onwillens tegenover een deel althans der Inlandsche wereld in eene geheel andere verhouding dan waarvan het in de tijden van de leer der onbewegelijkheid en onveranderlijkheid ook maar gedroomd had.

Het Bestuur werd door dit alles verrast. De besturende ambtenaren, die den naar boven strevenden van den aanvang af behulpzaam waren, vormden uitzonderingen op den regel der beschouwing van dit nieuwe verschijnsel met aarzelend wantrouwen. De gelegenheid om de beweging volgens een plan te leiden is hun daardoor ontgaan. Na de verrassing kwam de berusting, en meer en meer ook ingenomenheid, ja ten slotte gingen enkelen wel zoo ver van zich in te beelden, dat zij eigenlijk dezen gang van zaken altijd voorzien en naar vermogen bevorderd hadden, en hoorde men gewagen van de door invloed van ons bestuur ontstane intellectueele evolutie in de Inlandsche wereld. Deze voorstelling der zaak is echter zuiver legendarisch. De beweging is spontaan geweest, en van boven af heeft men zelfs verzuimd, tijdig met hare sinds lang te voorziene gevolgen rekening te houden. Van daar de vele onopgeloste problemen, waarvoor men zich nu geplaatst ziet.

In denzelfden tijd, waarin aldus in de hoogere lagen der Inlandsche maatschappij eene hervorming werd voorbereid, hervormde' zich ook de Nederlandsche koloniale politiek. De nieuwe richting, die de conservatieve van vroeger en de liberale van later stond te vervangen, heet de ethische; men mag beweren, dat een andere naam de voorkeur had verdiend, deze heeft in ieder geval het dubbele voordeel, dat de beteekenis vaststaat en dat hij blijft buiten den strijd

Sluiten