Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem gesmolten bazaltbol. Maar in den loop der laatste vijf en twintig jaren vindt u haast op ieder gebied onzer wetenschap deze experimenteele methode toegepast. Ik zou kunnen herinneren aan de nabootsing van eene reeks van optische verschijnselen van kristallen, aan de bereiding van kunstmatige pseudomorphosen, aan de voor experimenteele geologie baanbrekende proeven en geschriften van D a u b r é e, M e u n i e r, W a 11 h e r Spring. Alleen mag gewezen worden op de bijzonder belangrijke experimenteele nabootsingen van de verschijnselen van spleetvorming, verschuiving, plooiing van aardlagen door drukking, met hunne afhankelijkheid van de richting dezer laatste. Yan de toepassingen der experimenteele methode op palaeontologisch gebied vermeld ik Nathorst's proefondervindelijk bewijs, dat de eigenaardige op de schiftingsvlakken van oude sedimentair gesteenten zooals van combrischen eophytonzandsteen bij Lugnas in Zweden voorkomende afdruksels of verhevenheden van allerlei gedaante, waarvan men sommigen voor fossile plantenresten, anderen voor dierlijke overblijfselen hield, noch het een noch het ander zijn, maar dat sommigen daarvan moeten worden toegeschreven aan de sporen door het voortkruipen van verschillende dieren over vochtigen bodem ontstaan, anderen aan stroomende beweging van het water. Overtuigend is de groote overeenkomst van velen dezer door Nat horst op klei of zand, door verschillende crustaceën, wormen, gasteropoden verkregene kruipsporen of hunner gipsafgietsels met sommigen dier problematische -fossilen. Ook alle biologische experimenten, waardoor men den invloed van veranderde levensvoorwaarden op planten of dieren heeft kunnen constateeren en aangaande den tijd, die tot het voortbrengen van de eene of andere wijziging van uit- of inwendige organen noodig is, of waardoor men de al- of niet-erfelijkheid van karaktereigenschappen heeft aangetoond, proeven verder over het ontstaan van mutatien of nieuwe soorten, zooals nog kort geleden door H. de Vries en Beyerink zijn medegedeeld, hebben rechtstreeks betrekking op de palaeontologie. Het behoeft wel geen betoog,

Sluiten