Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houders in overleg met den districts-schoolopziener te bepalen, worden de schoollokalen, des noodig verwarmd en verlicht, voor dit godsdienstonderwijs beschikbaar gesteld.

Bij verschil is het laatste lid van het voorgaande artikel toepasselijk.

$ 2. Van de onderwijzers.

23. Aan het hoofd van elke school is een onderwijzer geplaatst, die den leeftijd van drie en twintig jaren moet volbracht hebben en den rang van hoofdonderwijzer bezit.

De waarneming van het bestuur eener school kan echter tijdelijk worden toevertrouwd aan een onderwijzer, die den gevorderden leeftijd of den rang van hoofdonderwijzer niet bezit, mits aan de school geen onderwijzer in het

het best door het vrijgeven voor dat onderwijs van uren tusschen de schooltijden. Het gemeentebestuur wijst die uren aan. Verplicht overleg met kerkbesturen wordt niet voorgeschreven. De vraag wie door godsdienstleerareii worden bedoeld, geeft de reden van twijfel niet aan. Bedoeld worden de geestelijken, bedienaars van den godsdienst, of godsdienstonderwijzers, welke door de kerkelijke gemeente of godsdienstige vereeniging, waartoe de ouders behooren, met het geven van godsdienstonderwijs zijn belast en mitsdien eene aanstelling hebben. Het is verder de bedoeling niet dat voor alle godsdienstleraren van eene en dezelfde kerkelijke gemeente, de schoollokalen moeten worden afgestaan. Het vrijgeveu der uren is de hoofdzaak. Een afstaan van schoollokalen op eene wijze, terecht ondoenlijk geacht, gebiedt het ontwerp niet. (M. v. B., 2e K.)

— Schoollokalen, voor zoover ze gemeenteeigendommen zijn, vallen onder de bepalingen der gemeentewet. Deze wet regelt alleen het verplicht gebruik van die lokalen voor het onderwijs , ook voor zooveel betreft het godsdienstonderwijs. Overigens laat deze wet, wat die lokalen betreft, de regelen der gemeentewet ongeschonden. (Redev. M. v. B. Z., 2e Kamer.)

(23, 24) In wetten en verordeningen wordt meermalen gesproken van het hoofd der school (vergelijk b. v. het arrest van den H. R. van 14 Mei 1877, W. v. 't R. 4133) en het is dus geraden in dit wetsontwerp te omschrijven hoe die uitdrukking moet worden toegepast. Dit

Sluiten