Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot en met e bepaald. De aanspraak op de verhooging der jaarwedde met honderd gulden ontstaat voor onderwijzers, die bij hunne benoeming niet in het bezit zijn der akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer, met den eersten dag van

dat voldoende wordt geacht voor de kleinste school en de kleinste gemeente, niet voldoende zal zijn voor onderwijzers in gemeenten, waar de werkzaamheden meer zijn en de levensstandaard hooger is. Eu het spreekt ook van zelf, dat Gedeputeerde Staten ook bij hun beslissing in aanmerking zullen nemen of het salaris der schoolhoofden wel in billijke verhouding zal staan tot dat der klasseonderwijzers."

— N°. 3. Het komt niet noodig voor eene bepaling betreffende het tijdstip waarop de verhoogingen wegens anciënniteit ingaan, in het artikel op te nemen Uit het niet vermelden van een tijdstip volgt, dat men heeft te rekenen met den werkelijken diensttijd van den dag af, waarop de onderwijzer voor het eerst als zoodanig in functie kwam. (Mem. van antwoord voorl. verslag 2e Kamer.)

— 5de lid. Het hoofd der school heeft geen wettelijk middel van beroep als hun door het gemeentebestuur eene ongeschikte woning tot verblijf is aangewezen. De bestekken tot het bouwen van nieuwe of het verbouwen van onderwijzerswoningen zijn ingevolge art. 50, tweede lid der wet, aan de goedkeuring van den districts-schoolopziener onderworpen. Is eene bestaande woning onvoldoende, dan is het de plicht der ambtenaren van het Rijksschooltoezicht daarop de aandacht der daarbij betrokken autoriteiten te vestigen. (Mem. van antwoord voorl. verslag le Kamer.)

7de lid. Bij de beraadslaging in de le Kamer

werd nopens dit lid, 't welk in de 2e Kamer bij amendement in het artikel is gevoegd, gevraagd welke beteekenis gehecht moet worden aan het woord „gehuwde3* onderwijzers. Men meende dat ook een weduwnaar als een gehuwd persoon moet worden beschouwd. Hoewel de Minister niet zeker verklaarde te weten wat de bedoeling is geweest van de voorstellers van het amendement, werd die meening door hem niet beaamd. „Overigens — zegt de Minister — ik heb mij volstrekt niet verwonderd, dat de voorstellers van het amendement de extra-vergoeding beperkt hebben tot de gehuwde onderwijzers en niet voorgesteld hebben ook de weduwnaars daarvan te laten profiteeren. Immers indien zij dien weg waren opgegaan, zouden zij in allerlei onderscheidingen hebben moeten komen. Bij het maken van dergelijke onderscheidin-

Sluiten