Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijne beslissing wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt.

Den onderwijzer, die een aldus afgekeurd leerboek gebruikt, wordt door burgemeester en wethouders verboden hiermede voort te gaan.

In geval van ongehoorzaamheid wordt aan den onderwijzer een niet-eervol ontslag gegeven.

35. Het is den onderwijzers op strafte van ontslag verboden handel te drijven of eenige nering of beroep, behalve het geven van onderwijs, uit te oefenen.

36. Het is hun op gelijke straffe verboden ambten of bedieningen te bekleeden of te gedoogen, dat te hunnen huize handel of nering gedreven of eenig beroep uitgeoefend worde door de leden van hun gezin.

Zoowel van het eene als van het andere verbod

(35) Onderscheid te maken tusschen handeldrijven en nering doen of een beroep uitoefenen is niet doenlijk. Maar het ligt in den aard der zaak, dat het verbod strikt moet worden uitgelegd.

Correspondent van eene levensverzekeringsmaatschappij te zijn of correspondent of redacteur van een dagblad zal men niet als uitoefening van een beroep knunen aanmerken, als het bijzaak blijft en dus niet wegneemt dat de onderwijzer in gezonden zin gezegd kan worden voor zijn ambt te leven. (M. v. B., 2e Kamer.)

— Bij besluit van 20 Februari 1884, S. 33, is beslist dat de gemeenteraad, nu dit artikel uitdrukkelijk en zonder beperking het geven van onderwijs uitzondert, niet bevoegd is die uitzondering uit te breiden of te beperken.

In strijd met dat besluit is echter door den Minister van Binnenlandsche Zaken in 1888 te kennen gegeven dat de gemeenteraden bevoegd zijn bij de verordening te bepalen dat de openbare onderwijzers zich onthouden moeten van privaat-onderwijs te geven, daar het artikel den raad de bevoegdheid laat, in het belang van het onderwijs in de gemeente eene beperkende bepaling vast te stellen Bij missive van genoemden Minister van 7 Januari 1893, n°. 6901, is dat gevoelen nader bevestigd.

— Gedeputeerde Staten zijn niet bevoegd vrijstelling te verleenen van het in dit artikel vervat verbod. (Besluit van 11 Juli 1891 , C. V.)

(35—42) Zie art. 42bis.

(36) alinea 2. Naar 't gevoelen van den Mi-

Sluiten