Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pensioen worden de grondslagen en de diensten der nog bekleed wordende betrekkingen niet in aanmerking genomen.

Bij latere aftreding uit de nog bekleed wordende betrekkingen wordt hun voor elke betrekking een afzonderlijk pensioen verleend, met dien verstande, dat het vtreenigd bedrag der pensioenen de som van drie duizend gulden niet kan overschrijden.

Vroeger in andere betrekkingen bewezen diensten komen in het geval bedoeld bij de eerste en tweede zinsnede van dit artikel, zoomede indien de belanghebbenden uit al de door hem waargenomen betrekkingen te gelijker tijd wordt ontslagen , in berekening bij de regeling van het pensioen wegens die betrekking waarin de hoogste pensioens-grondslag bekomen is.

In de gevallen, bedoeld bij artikel B, litt. c en d, gelden, ten opzichte van het vereischte van tienjarigen dienst, voor het pensioen alleen de jaren in de betrekking doorgebracht, ter zake waarvan dat pensioeu wordt verleend.

Art. 27. Er bestaat een pensioenraad voor de burgerlijke ambtenaren.

Hij is samengesteld uit vijf leden en wordt bijgestaan door een secretaris, die allen door Ons worden benoemd en ontslagen.

In geval van vacature doet de Raad Ons eene aanbevelingslijst van ten minste twee personen toekomen.

De voorzitter wordt uit de leden onmiddellijk door Ons benoemd. Hij treedt als zoodanig om de twee jaren af, doch is opuieuw benoembaar.

Aan den voorzitter en de leden wordt ter zake van hunne bemoeiingen eene som van negentienhonderd gulden per jaar toegelegd, waarvan door deu voorzitter driehonderd gulden en door elk der leden eenhonderd vijftig gulden als vaste toelage wordt genoten.

Na afloop van elk halljaar wordt de helft van het overschietende bedrag tusschen den voorzitter en de leden verdeeld naar gelang van het getal der vergaderingen door ieder hunner in dien tijd bijgewoond.

Deze toelagen en presentiegelden worden voor de helft uit 's Rijks kas gekweten; zij komen voor de andere helft als kosten van beheer ten laste van het fonds, bedoeld in art. 18 der wet van den 9den Mei 1890 (Staatsblad n°. 79).

De raad kan geen wettige zitting houden, wanneer niet ten minste drie leden tegenwoordig zijn.

De voorzitter heeft eene beslissende stem.

De verplichtingen van den Secretaris worden geregeld bij eene door den raad vast te stellen instructie.

Art. 28. De raad onderzoekt de aanvragen.

Sluiten