Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\lbis. De artt. 6, 26, 27 litt. a en 35—42 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen , uitsluitend belast met liet onderwijs in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r, r bis en t.

De artt. 26 en 35—42 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen die uitsluitend in een der vakken of in beide vakken vermeld in art. 2 onder j en s onderwijs geven, dan wel daarnevens mede onderwijs geven in een of meer der vakken, vermeld in art. 2, onder'h, i, k, q, r, r bis en t.

§ 3. Van de kosten van het onderwijs.

43. Elke gemeente voorziet in de kosten van

wijze beschikken, ook niet door verpanding of beleening. Indien hij last geeft om het pensioen voor hem te ontvangen, kan hij die lastgeving altijd herroepen. Alle hiermede strijdige overeenkomsten zijn nietig.

Deze bepalingen worden op het bewijs van inschrijving van het pensioen afgedrukt.

De voorschotten door gemeentebesturen, liefdadige of tot algemeen nut werkende instellingen, hetzij renteloos, hetzij tegen eene matige rente op de pensioeuen gegeven, tot zekerheid waarvan de bewijzen van inschrijving in het bezit van die lichamen worden gesteld, zijn niet onder de bij deze wet verboden beleeningen begrepeu, mits de voorwaarden, volgens welke die voorschotten verstrekt worden, zijn goedgekeurd door den Minister van Financiën.

Indien een gepensiouneerde in een gesticht of instelling van weldadigheid, door het openbaar gezag erkend, is opgenomen of, op welke wijze ook, door zoodanige instelling of door eene burgerlijke gemeente wordt verpleegd, wordt, zoolang dit geschiedt, zijn pensioen uitbetaald aan het bestuur van dat gesticht, die instelling of gemeente, hetwelk zich tot dat einde in het bezit zal stellen van het bewijs van inschrijving van het pensioen.

Indien het bedrag van het pensioen dat der verplegingskosten overtreft, wordt het verschil door het daarbij betrokken bestuur aan of ten behoeve van den gepensionneerde uitgekeerd.

(42bis.) Het vak r bis is bij de wet van 28 December 1896, S. 230, in dit artikel ingelascht.

— Zie art. 6 van de noot onder titel VII „Overgangsbepalingen", wet 1889.

Sluiten