Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Besluit van den üsten Februari 1881, S. 26 ? houdende bepalingen nopens de bijdragen voor pensioen en de pensioenen van onderwijzers en onderwijzeressen bij openbare lagere scholen.

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Financiën en van Binnenlandsche Zaken, van 29 December 1880, n°. 103, afdeeling Generale Thesaurie, en van 28 December 1880, litt. V, afdeeling Onderwijs;

Overwegende, dat tengevolge van de in werking treding (met 1 November 1880) van de wet van den I7den Augustus 1878 (Staatsblad n°. 127) de bij Onze besluiten van den 24sten Maart 1858 {Staatsblad n°. 14) en den 30sten Januari 1861 {Staatsblad n°. 6) vastgestelde bepalingen op de inning, verantwoording en. controle der bijdragen voor pensioen van onderwijzers bij openbare lagere scholen en nopens andere punten, de pensioenen dier onderwijzers betreffende, door eene nieuwe regeling moet worden vervangen;

Gezien de artt. 26, 29, 37, 40, 41, 42 en 86 der voormelde wet;

Den Raad van State gehoord (advies van den 25sten Januari 1881, n°. 6);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van Financiën , van den 3den Februari 1881, n°. 51, Generale Thesaurie, en van Binnenlandsche Zaken, van den 5den Februari 1881, n°. 432, afdeeling Onderwijs; Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1. De grondslag, naar welken door onderwijzers en onderwijzeressen bij openbare lagere scholen voor pensioen is bij te dragen, bestaat uitsluitend uit het volle bedrag van ieders jaarwedde als zoodanig, verhoogd voor hen, die aan het hoofd eener school zijn geplaatst, met het bedrag van de door Gedeputeerde Staten der provincie bepaalde geldelijke waarde van het genot van vrije woning of vergoeding vau huishuur.

Het bedrag dier grondslagen wordt door Gedeputeerde Staten ter kennis van de gemeentebesturen en door deze ter kennis van de belanghebbenden gebracht.

Sluiten