Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bij art. 4 van Ons tegenwoordig besluit bedoelde lijsten , modellen A en B, worden voor de eerste maal opgemaakt over het tijdvak van 1 November tot en met ultimo December 1880.

De stortingen, voorgeschreven bij art. 6 van Ons besluit van den 24sten Maart 1858 (Staatsblad n°. 14) en bij art. 3 van Ons tegenwoordig besluit, kunnen over de tijdvakken van 1 Juli tot en met ultimo October 1880 en van 1 November tot en met ultimo December 1880 door elk gemeentebestuur in één bedrag geschieden.

Op de vergoedingen, bedoeld bij het tweede lid van art. 86 der wet van den 17den Augustus 1878 {Staatsblad n°. 127), blijven de bepalingen van de artt. 11 en 12 van Ons besluit van den 24sten Maart 1858 (Staatsblad n . 14) toepasselijk.

10. Behoudens de bepalingen van het voorgaande artikel, worden Onze besluiten van den 24sten Maart 1858 (Staatsblad n°. 14) en den 30sten Januari 1861 (Staatsblad n". 6) ingetrokken.

11. Voor zooveel de bij dit besluit bedoelde bijdragen over het tijdvak van 1 November tot en met ultimo December 1880 naar een hoogeren grondslag geïnd en in 's Rijks kas overgebracht mochten zijn, dan volgens de daarvoor door Gedeputeerde Staten gemaakte bepalingen had behooren te geschieden, wordt het te veel gestorte bedrag met het verschuldigde over een la teren termijn verrekend of teruggegeven.

12. Dit besluit treedt in werking met den vijfden dag na dien zijner afkondiging.

Onze voornoemde Ministers zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en aan den Raad van Toezicht op het pensioenfonds voor burgerlijke ambtenaren.

's Gravenhage, den 8sten Februari 1881. {get.) WILLEM.

De Minister van Financiën, (gel.) Vissering. Be Min. ran IHnnmIandsche 7-aken, {get.) Six.

{JJitgeg. 22 Febr. 1881.)

Sluiten