Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijzers sub 4 en 5 bedoeld, per school en per gemeente.

Scholen, waarvoor het schoolgeld tachtig gulden of meer per leerling en per jaar bedraagt, worden in die opgaaf niet opgenomen.

Indien de bijdrage in de jaarwedden van onderwijzers, volgens het bij de wet van 8 December 1889 {Staatsblad n°. 175), gewijzigd art. 45 der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad n°. 127) over eenig dienstjaar voor eene gemeente minder mocht bedragen dan de som der Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaften van noodzakelijke schoolineubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen, waarop die gemeente krachtens evengenoemd wetsartikel, zooals dat luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 (Staatsblad n"°. 123) over 1889 aanspraak kon doen gelden, zenden Gedeputeerde Staten, in plaats van de bij het eerste lid van dit artikel bedoelde opgaaf, aan Onzen voornoemden Minister eene opgaaf van de door hen goedgekeurde sommen die op de begrooting van de gemeente voor het dan begonnen dienstjaar zijn uitgetrokken voor de kosten van het lager onderwijs, vermeld in art. 44 der wet onder letter a—d en ouder e voor zoover betreft het huren vau schoollokalen en onderwijzers woningen.

Deze opgaaf bevat tevens het cijfer van het Rijkssubsidie aan de gemeente, tot bestrijding van jaarwedden van onderwijzers bij de lagere scholen, toegekend vóór het in werking treden der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n°. 127).

Ten aanzien der gemeenten, bedoeld in het 3de lid van dit artikel, doen Gedeputeerde Staten opgaaf van de sommen, nader door hen goedgekeurd of krachtens art. 212 der wet van 29 Juni 1851 (<Staatsblad n°. 85) door hen op de gemeentebegrooting gebracht voor de kosten in dat lid omschreven, aan Onzen voornoemden Minister, binnen veertien dagen na de dagteekening van hun besluit.

Het derde lid van dit artikel is niet van toepassing wanneer de gemeente over eenig dienstjaar

Sluiten