Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overwegende, dat het na de wijziging van de wet tot regeling van het lager onderwijs van

17 Augustus 1878 (Staatsblad n°. 127), bij die van 8 December 1889 (Staatsblad n°. 175), noodig is de Koninklijke besluiten van 3 Februari 1881 (Staatsblad n°. 25), 13 Augustus 1881 (Staatsblad n°. 149) en 18 Februari ^^{Staatsblad n°. 23), tot vaststelling van programma's voor het examen ter verkrijging eener akte van bekwaamheid, bedoeld in art. 56, onder a der eerstgenoemde wet en tot regeling van de wijze van afneming en van hetgeen verder tot dit examen betrekking heeft, te erzien ;

Den Raad van State gehoord (advies van den

18 November 1890, n°. 25);

Gelet op het nader rapport van voornoemden Minister, van 12 December 1890, n°. 4503, afdeeling Onderwijs;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1. De commissie, benoemd volgens art. 57 der wet tot regeling van het lager onderwijs, kiest een harer leden tot secretaris. De voorzitter wijst de lokalen aan, waar de examens worden afgenomen.

2. De examens worden mondeling en schriftelijk afgelegd. De omvang der kennis, die in elk vak van de adspiranten kan worden gevorderd , is aangewezen bij de programma's A, B en C, aan dit besluit gehecht.

3. Het mondeling examen strekt zich uit tot al de in het programma vermelde vakken.

Het schriftelijk examen omvat de volgende vakken;

a. het schrijven;

b. de Nederlandsche taal;

c. het rekenen;

d. de aardrijkskunde;

e. de theorie van onderwijs en opvoeding.

4. Het examen loopt voor iederen ad spirant binnen twee dagen ten einde.

Voor hen, die het examen ter verkrijging der akte, bedoeld in art. 56, onder a, met goed gevolg hebben afgelegd en bij de aangifte voor het examen eene aanteekening hebben gevraagd voor de vrije en orde-oefeningen der gymnastiek

Sluiten