Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebruik der leesteekens; eenige bekendheid met de vorming der woorden.

4°. Vaardigheid om zijne gedachten schriftelijk juist en gemakkelijk uit te drukken, blijkeude uit het schriftelijk werk.

5°. Kennis van de gronden der hoofdbewerkingen in de rekenkunde, zoowel met gewone en tiendeelige breuken als met geheele getallen; de evenredigheden; het Nederlandsche stelsel van maten en gewichten ; de berekening van de grootte en de vormveranderingen van eenvoudige vlakke figuren en de berekening van de inhouden der eenvoudigste lichamen.

Vaardigheid in het oplossen zoowel uit het hoofd als schriftelijk van eenvoudige rekenkunstige vraagstukken.

6°. Algemeene kennis van de oppervlakte der aarde en van de staat- en natuurkundige aardrijksbeschrijving van Europa; eene bekendheid met Nederland en zijne bezittingen, die meer tot in bijzonderheden afdaalt.

7°. Bekendheid met de gebeurtenissen van de geschiedenis des Vaderlands.

8°. Kennis van de eenvoudigste natuurkundige verschijnselen.

Eenige bekendheid met het organisme van het menschelijk lichaam, vooral ten opzichte van den bloedsomloop en de ademhaling, en met den bouw en het leven van de belangrijkste inlandsche dieren en planten.

9°, Kennis van het notenschrift, de maatverdeeling en de toonschalen, voor zoover die noodig is voor het schoolonderwijs in het zingen.

10°. Bedrevenheid in het teekenen op papier en in het schetsen op het zwart bord van eene eenvoudige vlak versiering naar eene plaat.

Bedrevenheid in het schetsen en schaduwen van eenig meetkunstig lichaam naar de natuur.

Bekendheid met de meest voorkomende perspectievische verschijnselen; begrip van projecties en doorsneden.

Keunis van een goeden leergang voor het eerste teekenonderwijs in de lagere school.

11°. Bekendheid met:

de inrichting van de lagere school en het klassikaal onderwijs;

Sluiten