Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lid van art. 28 der wet tot regeling van het lager onderwijs, ingesteld.

Daartoe wordt — indien nog geene oproeping heeft plaats gehad of alleen eene oproeping met beperkende voorwaarden — eene oproeping aan alle bevoegden gedaan. Hierop zijn van toepassing art. 1, derde en vierde lid, en art. 2.

5. De districts schoolopziener regelt het plan van het vergelijkend onderzoek en doet zich desgeraden achtende door deskundigen bijstaan. Deze deskundigen genieten, behalve reis- en verblijfkosten naar de derde klasse van het tarief, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 5 Januari 1884 {Staatsblad n°. 4) (1), vacatiegelden ten bedrage van zes gulden per dag. Zij genieten wegeus het beoordeelen van het schriftelijk werk eene belooning van zes gulden per twintig candidaten.

Een gedeelte van twintig wordt voor twintig gerekend.

Deze kosten worden gerekend te behooren tot die, vermeld in art. 44 onder h, der wet tot regeling van het lager onderwijs.

6. Nadat met inachtneming der voorschriften, vervat in het vierde lid van art. 28 der wet tot regeling van het lager onderwijs, is vastgesteld, welke candidaten tot het vergelijkend onderzoek zullen worden toegelaten, bepaalt de districtsschoolopziener, na gehouden overleg, met burgemeester en wethouders, de dag en de plaats van dat onderzoek.

Burgemeester en wethouders zorgen voor een geschikt lokaal, op kosten van de gemeente en geven ten minste acht dagen van te voren aan ieder dergenen, die worden toegelaten, van den dag en de plaats van het onderzoek schriftelijk kennis.

7. Het vergelijkend onderzoek wordt niet gehouden in het openbaar.

Het kan worden bijgewoond door den inspecteur, binnen wiens ambtsgebied de te vervullen plaats behoort, den schoolopziener van het arrondissement, de leden der plaatselijke commissie, den burge-

(1) Gewijzigd bij besluit van 24 Februari 1898, S. 56.

Sluiten