Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27. Bedraagt het aantal dergenen, die aau liet examen voldaan liebben, meer dan twintig, dan worden door den directeur die twintig ter benoeming voorgedragen, welke de meeste blijken van bekwaamheid en aanleg gegeven hebben.

Bij gelijke bekwaamheid en aanleg genieten diegenen de voorkeur, die in de gemeente wonen, waar de kweekschool gevestigd is, of die, elders wonende, zelf in de kosten van huisvesting en verpleging voorzien.

niet te moeilijk stuk proza of poëzie. Hierbij zal gelet worden op eene zuivere uitspraak en het verstaan van het gelezene.

b. Het vervaardigen van een schoonschrift, middelgroot en klein, op papier met lijnen. Uit het schoonschrift en uit het andere schriftelijk werk moet blijken, dat de adspirant duidelijk, net en regelmatig schrijft.

c. Een begrip van het tientallig stelsel, van de hoofdbewerkingen met geheele en gebroken getallen, van de practisch bruikbare kenmerken van deelbaarheid, van het zoeken van den grootsten gemeenen deeler en van het kleinste gemeene veelvoud van geheele getallen. Kennis van het metrieke stelsel. Eenige kennis van vlakke figuren en van meetkundige lichamen, voor zooverre die door aanschouwing te verkrijgen is. Vaardigheid in het beredeneerd oplossen van eenvoudige vraagstukken, zoowel uit het hoofd als op schrift.

d. Ken nip van de hoofdzaken der spraakkunst en der redekundige ontleding, benevens eenige vaardigheid om zich zoowel mondeling als schriftelijk juist en gemakkelijk uit te drukken.

e. Kennis van de hoofdgebeurtenissen uit de geschiedenis des vaderlands.

f. Eenige kennis van de aardrijkskunde van Nederland, eene voorstelling van de kaart van Europa en van de ligging der werelddeelen.

g. Eenige kennis van inlandsche dieren en planten en van eenige eenvoudige natuurkundige verschijnselen.

h. Aanleg voor den zang.

i. Het teekenen van een eenvoudig vlak figuur.

Voor de Rijkskweekschool voor onderwijzeressen

bovendien:

j. Eenige vaardigheid in de nuttige handwerken : (1°. het breien eener kous; 2°. het naaien van een overhandschen naad, zoom, stik- en rolnaad, knoopsgat en vetergat; 3°. overmazen, aanmazen, het mazen van een gat met rechte steken; 4°. liet merken met gewone kruisjes, letters en cijfers)".

Sluiten