Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stoffen en anorganische scheikundige verbindingen; met de omzettingeu die deze kunnen ondergaan ; met de vormingswijzen en de onderlinge werkingen van zuren, basen en zouten, waarbij eenige vaardigheid wordt geëischt in het gebruik van scheikundige formulen en vergelijkingen en de toepassing daarvan bij eenvoudige vraagstukken.

Van de candidaten wordt geëischt, dat zij het bewijs leveren zelf eenige eenvoudige proeven te hebben uitgevoerd:

b. de organische;

eenige kennis van de samenstelling en het karakter van enkele belangrijke groepen van stoffen , zooals koolwaterstoffen , alcoholen , aldehyden , zuren , vetten en bekendheid met de empirische samenstelling en de omzettingen van enkele stoffen die bij den plantengroei eene belangrijke rol spelen, zooals koolhydraten.

Kennis van natuurkunde.

Bekendheid met de grondbegrippen van de leer der beweging en der krachten en met die van arbeid en arbeidsvermogen ; met de algeineene eigenschappen van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen; met de hoofdzaken uit de leer der zwaartekracht en der veerkracht; met de leer der warmte en enkele van hare toepassingen, ook op verschijnselen in den dampkring, waarvan de kennis voor den landbouw van belang is; met de leer van terugkaatsing, breking, ontleding en absorptie van het licht.

Van de candidaten wordt geëischt , dat zij blijk geven dagelijks voorkomende verschijnselen juist te hebben waargenomen en dat zij zelf eenvoudige proeven hebben uitgevoerd.

Kennis van dier- en plantkunde.

a. Dierkunde:

bekendheid met de hoofdgroepen uit het dierenrijk;

eenige kennis van den bouw en de levensverrichtingen van het lichaam der huisdieren.

b. Plantkunde :

kennis van de organen, waaruit de plant bestaat;

overzicht van den algemeenen bouw en de levensverrichtingen van de plant.

Hierbij zal als eisch gesteld worden, dat de

Sluiten