Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling van het lager onderwijs. Hij zendt dat stuk daarna, binnen veertien dagen, aan Gedeputeerde Staten der provincie, waarin de gemeente gelegen is.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde opgave wordt voor de eerste maal ingezonden in Januari 1903 over de maanden November en December van het dienstjaar 1902.

4. Jaarlijks in de maand April doen Gedeputeerde Staten aan Onzen Minister met de uitvoering der wet tot regeling van het lager onderwijs belast, ten aanzien van elke gemeente over het afgeloopen dienstjaar opgaaf:

1°. van het aantal openbare lagere scholen bezocht door leerlingen, die na afloop van hun schooltijd voor berhalingsonderwijs in aanmerking komen;

2°. van het maximum aantal lesuren, hetwelk voor Rijksbijdrage in aanmerking komt, met aanduiding, of dit getal door Gedeputeerde Staten ingevolge het voorlaatste lid van artikel bhbis der wet tot regeling van het lager onderwijs is vastgesteld;

8°. van het aantal lesuren, gedurende hetwelk herhalingsonderwijs is gegeven ;

4°. of voldaan is aan het bepaalde bij artikel 45bis sub 1°. en 2°. der wet tot regeling van het lager onderwijs, en

5°. het bedrag, dat als Rijksbijdrage voor het geven van herhalingsonderwijs in aanmerking komt.

De in dit artikel bedoelde opgaaf wordt voor de eerste maal ingezonden in de maand April 1903 over de maanden November en December van het dienstjaar 1902.

5. Onze voornoemde Minister regelt het juiste • cijfer van het bedrag, waarop elke gemeente over

het voorafgaand dienstjaar als Rijksbijdrage voor het doen geven van herhalingsonderwijs aanspraak heeft, nadat de opgaaf bedoeld in artikel 4 van dit besluit bij hem zal zijn ontvangen.

Hij doet daarvan mededeeling aan de Algemeene Rekenkamer en aan Gedeputeerde Staten.

6. De opgaven in de artikelen 1 , 3 en 4 en verklaring in artikel 3 vermeld, worden opgemaakt in den vorm door Onzen voornoemden Minister voorgeschreven.

Sluiten