Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„door of namens wien betaald werd, worden bijgevor„derd." ')

Bij de berekening van het in- of uitvoerrecht heeft de ontvanger in de eerste plaats te letten op eene juiste toepassing der betrekkelijke tarieven en hetgeen daaraan annex is, de beoordeeling der stukken, op grond waarvan eventueel aanspraak op vrijdom wordt gemaakt, hieronder begrepen 2).

Bij de toepassing van het invoerrechtentarief zal de ontvanger in de eerste plaats hebben na te gaan of de goederen in het tarief met name zijn genoemd. Is dit niet het geval, dan zal hij moeten onderzoeken of de goederen wellicht uit hoofde van bestemming of aard of ingevolge de bij -het invoerrechten-tarief behoorende „Bijzondere bepalingen" of „Verwijzingen" onder eene der in dat tarief met name genoemde goederensoorten zijn te brengen. Is ook dit niet het geval, dan zal hij het recht behooren te heffen naar de samenstelling der goederen, met dien verstande dat goederen, welker samenstelling van dien aard is, dat zij niet, ook niet aan de hand der „Bijzondere bepalingen" of „Verwijzingen", onder het begrip aardewerk, blikwerk, ijzerwerk enz. zijn te brengen, onder de slotrubriek van het invoerrechtentarief „Alle andere goederen enz." moeten worden begrepen. Bij de invoerrechtenheffing zal de ontvanger tevens hebben rekening te houden met de wettelijke bepalingen, welke een uitvloeisel zijn van de bij het tarief van invoerrechten behoorende „Bijzondere bepalingen", zoomede met de door de Regeering en van wege

') De schulden wegens rechten, pakhuishuur, waak- en vacatieloonen, boeten en kosten, zijn bevoorrecht op alle roerende en onroerende goederen van den schuldenaar en nemen rang onmiddellijk na die, in artikel 1149 van het burgerlijk wetboek en artikel 317 van het wetboek van koophandel genoemd. Het voorrecht houdt stand gedurende twee jaren nadat de schuld opeischbaar is geworden (art. 21 der rechten-ordonnantie).

2) Indien aanspraak wordt gemaakt op vrijdom van recht, moeten bij de inlevering der aangifte, op de vordering van den ontvanger, stukken worden overgelegd, waaruit de gegrondheid der aanspraak ten zijnen genoegen blijkt (art. 33, laatste lid, en art. 52, eerste lid, van het reglement Lt. A.)

Sluiten