Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 3 der Boterwet.

Op den (datum, jaar met tijdsbepaling) werd door mij (naam, qualiteit en woonplaats) gezien en waargenomen dat A ... .

B geboren te den .... 18 . .

van beroep .... wonende te .... in de uitstalling van zijn aan de .... straat aldaar staanden kruidemeiswmkel, zijnde een voor het publiek toegankelijke verkoopplaats, in eenzeltden winkel boter en „Margarine" voorhanden had, zonder dat laatsgenoemde waar, waarvan ik de hoedanigheid afleidde uit het op de verpakking daarvan voorkomende woord „Margarine waarmede blijkbaar die waar werd aangeduid, zich bevond in een afzonderlijk gedeelte van dien winkel, noch door een schot van de aldaar aanwezige boter was gescheiden.

Genoemde winkelier erkende in de uitstalling van zijn winkel „Margarine" te midden van boter voorhanden te hebben en tevens, dat eerstgenoemde waar zich niet bevond in een afzonderlijk gedeelte van dien winkel, noch door hem van de aldaar aanwezige boter was gescheiden door een voor de koopers duidelijk zichtbaar schot.

Ik heb van ieder van die waar twee monsters genomen, welke ik in vanwege het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel verstrekte busjes, in 't bijzijn van genoemden winkelier verpakte, verzegelde met lak en stempel en waarmerkte met .... om die op te zenden aan den Heer Ambtenaar van het Upenbaai Ministerie bij de Kantongerechten te . . • • ( )

Van zijne bevoegdheid om de monsters met zijn eigen zegel te voorzien is door genoemden A ... B ... . (geen) gebruik gemaakt.

De marktwaarde der genomen monsters zijnde f . heb ik

aan hem vergoed.

Ik heb hiervan op afgelegde ambtseed dit proces-verbaal opgemaakt.

den .... 19 . .

(Handteekenening).

(*) Kunnen per post onder dienst verzonden worden.

Sluiten